1 Samuel 9:7 — Compare Translations
10 translations compared side by side
Dutch (BB) 2016 BasisBijbel
Maar Saul zei: "Maar als we naar hem gaan, wat kunnen we hem dan geven? Ons brood is op en we hebben niets om die man als geschenk te geven. Wat zouden we hem kunnen geven?"
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
Toen zei Saul tegen zijn knecht: Maar zie, als wij gaan, wat zullen wij dan voor die man meebrengen? Want het brood uit onze reis zakken is op, en wij hebben geen geschenk om de man Gods te brengen; wat hebben wij bij ons?
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
Toen zeide Saul tot zijn knecht: Maar als wij gaan, wat kunnen wij dan voor die man meebrengen? Het brood uit onze reiszakken is immers op, en een geschenk om aan de man Gods te brengen, hebben wij niet. Wat hebben wij?
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
Saul zei tot den knecht: Wat kunnen we den man dan aanbieden, als we er heen gaan? Het brood in onze zakken is op, en we hebben geen geld; wat kunnen we den godsman dan aanbieden?
Dutch 2007 (HTB)
"Maar wij hebben niets bij ons waarmee we hem kunnen betalen", wierp Saul tegen. "Zelfs het brood is op, dus we kunnen hem helemaal niets geven."
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
Saul zei tegen zijn knecht: "Maar als we gaan, wat kunnen we hem dan aanbieden? Het brood in onze tassen is op en we hebben niets om de godsman als geschenk aan te bieden. Wat hebben we bij ons?"
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
Toen zei Saul tegen zijn knecht: “ Maar zie, als wij gaan, wat kunnen wij die man dan aanbieden? Want het brood uit onze reiszakken is op en wij hebben geen geschenken om de man van GOD aan te bieden. Wat hebben wij eigenlijk wel?”
Dutch HTB 2007 (Het Boek)
‘Maar wij hebben niets bij ons waarmee we hem kunnen betalen,’ wierp Saul tegen. ‘Zelfs het brood is op, dus we kunnen hem helemaal niets geven.’
Dutch SVV 2018 (Statenvertaling Jongbloed-editie)
Toen zeide Saul tot zijn jongen: Maar zie, zo wij gaan, wat zullen wij toch dien man brengen? Want het brood is weg uit onze vaten, en wij hebben geen gave, om den man Gods te brengen; wat hebben wij?
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
Toen zeide Saul tot zijn jongen: Maar zie, zo wij gaan, wat zullen wij toch dien man brengen? Want het brood is weg uit onze vaten, en wij hebben geen gaven, om den man Gods te brengen; wat hebben wij?