2 Samuel 9:2 — Compare Translations

10 translations compared side by side

Dutch (BB) 2016 BasisBijbel
Er was bij de familie van Saul een dienaar in dienst geweest die Ziba heette. Hij werd bij David geroepen en de koning vroeg hem: "Ben jij Ziba?" Hij antwoordde: "Ja, heer."
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
Het huis van Saul nu had een dienaar van wie de naam Ziba was. Zij riepen hem bij David. En de koning zei tegen hem: Bent u Ziba? Hij zei: Uw dienaar.
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
Nu behoorde tot het huis van Saul een knecht, die Siba heette. Men riep hem bij David en de koning vroeg hem: Zijt gij Siba? Hij antwoordde: Uw dienaar.
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
Nu behoorde aan de familie van Saul een knecht, die Siba heette. Deze werd bij David ontboden, en de koning zeide tot hem: Zijt gij Siba? Hij antwoordde: Uw dienaar!
Dutch 2007 (HTB)
Hij hoorde toen van een zekere Ziba, die vroeger één van Sauls dienaars was geweest en liet hem bij zich komen. "Bent u Ziba?" vroeg de koning. "Ja koning", antwoordde de man.
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
Nu was er bij de familie van Saul een man in dienst geweest, die Ziba heette. Hij werd bij David ontboden en de koning vroeg hem: "Ben jij Ziba?" Hij antwoordde: "Ja, heer, uw dienaar."
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
Tot het huis van Saul behoorde een dienaar met de naam Ziba. Zij lieten hem bij David komen. De koning zei tegen hem: “Ben jij Ziba?” En hij zei: “Uw dienaar.”
Dutch HTB 2007 (Het Boek)
Hij hoorde toen van een zekere Ziba, die vroeger een van Sauls dienaars was geweest en liet hem bij zich komen. ‘Bent u Ziba?’ vroeg de koning. ‘Ja koning,’ antwoordde de man.
Dutch SVV 2018 (Statenvertaling Jongbloed-editie)
Het huis van Saul nu had een knecht, wiens naam was Ziba; en zij riepen hem tot David. En de koning zeide tot hem: Zijt gij Ziba? En hij zeide: Uw knecht.
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
Het huis van Saul nu had een knecht, wiens naam was Ziba; en zij riepen hem tot David. En de koning zeide tot hem: Zijt gij Ziba? En hij zeide: Uw knecht.