Exodus 28:1 — Compare Translations

10 translations compared side by side

Dutch (BB) 2016 BasisBijbel
Mozes, als alles af is, moet je je broer Aäron en zijn zonen laten komen. Maak hen klaar om Mij te dienen. Zij worden mijn priesters. Laat dus Aäron en zijn zonen Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar komen.
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
Wat u betreft, laat uw broer Aäron en zijn zonen die bij hem zijn, bij u komen uit het midden van de Israëlieten om Mij als priester te dienen: Aäron, Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar, de zonen van Aäron.
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
Gij dan, doe tot u naderen uw broeder Aäron, en zijn zonen met hem, uit het midden der Israëlieten, om voor Mij het priesterambt te bekleden: Aäron, Nadab en Abihu, Eleazar en Itamar, de zonen van Aäron.
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
Zonder u vervolgens uw broeder Aäron en zijn zonen uit de Israëlieten af, om Mij als priester te dienen: Aäron, met Nadab, Abihoe, Elazar en Itamar, de zonen van Aäron.
Dutch 2007 (HTB)
"Wijd uw broer Aäron en zijn zonen Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar tot priesters voor Mij.
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
Laat daarna je broer Aäron en zijn zonen bij je komen en zonder hen af van de Israëlieten om Mij als priester te dienen, namelijk Aäron en zijn zonen Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar.
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
“Jij dan, laat je broer Aäron samen met zijn zonen uit het midden van de zonen van Israël tot je naderen om Mij als priester te dienen, Aäron met Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar, de zonen van Aäron.
Dutch HTB 2007 (Het Boek)
‘Wijd uw broer Aäron en zijn zonen Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar tot priesters voor Mij.
Dutch SVV 2018 (Statenvertaling Jongbloed-editie)
Daarna zult gij uw broeder Aäron, en zijn zonen met hem, tot u doen naderen uit het midden der kinderen Israëls, om Mij het priesterambt te bedienen: namelijk Aäron, Nadab en Abíhu, Eléazar en Ithamar, de zonen van Aäron.
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
Daarna zult gij uw broeder Aaron, en zijn zonen met hem, tot u doen naderen uit het midden der kinderen Israels, om Mij het priesterambt te bedienen: namelijk Aaron, Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar, de zonen van Aaron.