Genesis 27:25 — Compare Translations

10 translations compared side by side

Dutch (BB) 2016 BasisBijbel
Toen zei hij: "Zet het eten bij mij neer, dan zal ik eten van de maaltijd van mijn zoon. Daarna zal ik je zegenen." Toen zette Jakob het eten bij hem neer en Izaäk at. Ook bracht Jakob wijn en Izaäk dronk.
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
Toen zei Izak: Zet het wat dichter bij me. Dan kan ik van het wildbraad van mijn zoon eten, zodat mijn ziel je kan zegenen. Hij zette het dicht bij hem en hij at. Hij bracht hem ook wijn en hij dronk ervan.
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
Toen zeide hij: Zet het dicht bij mij, dan wil ik eten van het wildbraad van mijn zoon, opdat ik u zegene. Toen zette hij het dicht bij hem, en hij at; ook bracht hij hem wijn, en hij dronk.
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
Toen zei hij: Dien het mij op, en laat mij eten van het wild van mijn zoon; dan zal ik u zegenen. Hij zette het hem voor, en hij at; daarna bracht hij hem wijn, die hij dronk.
Dutch 2007 (HTB)
Toen was Isaäk overtuigd en hij at van het gerecht en dronk de wijn, die Jakob ook had meegebracht.
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
Izaäk zei: "Zet het eten bij me neer, zodat ik van je wildbraad kan eten. Daarna zal ik je zegenen." Jakob zette het eten bij Izaäk neer en zijn vader at. Hij bracht hem ook wijn, en Izaäk dronk.
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
Toen zei hij: “Zet het vlak bij me, opdat ik van het wildbraad van mijn zoon eet, opdat ik je zal zegenen.” Hij zette het vlak bij hem en hij at. Hij bracht hem ook wijn en hij dronk.
Dutch HTB 2007 (Het Boek)
Toen was Isaak overtuigd en hij at van het gerecht en dronk de wijn, die Jakob ook had meegebracht.
Dutch SVV 2018 (Statenvertaling Jongbloed-editie)
Toen zeide hij: Stel het nabij mij, dat ik van het wildbraad mijns zoons ete, opdat mijn ziel u zegene. En hij stelde het nabij hem, en hij at; hij bracht hem ook wijn, en hij dronk.
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
Toen zeide hij: Stel het nabij mij, dat ik van het wildbraad mijns zoons ete, opdat mijn ziel u zegene. En hij stelde het nabij hem, en hij at; hij bracht hem ook wijn, en hij dronk.