Genesis 27:32 — Compare Translations
10 translations compared side by side
Dutch (BB) 2016 BasisBijbel
Zijn vader Izaäk zei tegen hem: "Wie ben jij?" Hij zei: "Ik ben uw oudste zoon Ezau."
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
Izak, zijn vader, zei tegen hem: Wie ben je? Hij zei: Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Ezau.
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
En zijn vader Isaak zeide tot hem: Wie zijt gij? En hij zeide: Ik ben uw eerstgeboren zoon Esau.
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
Zijn vader Isaäk sprak tot hem: Wie zijt gij? Hij antwoordde: Ik ben uw zoon Esau, uw eerstgeborene.
Dutch 2007 (HTB)
Maar toen hij binnenkwam en zijn vader het eten aanbood, vroeg die bevreemd: "Wie is daar?" Esau zei dat hij het was en Isaäk schrok zichtbaar.
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
Zijn vader Izaäk zei tegen hem: "Wie ben je?" Hij zei: "Ik ben Ezau, uw eerstgeborene."
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
Zijn vader Izak zei tegen hem: “Wie ben je?” En hij zei: “Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Ezau.”
Dutch HTB 2007 (Het Boek)
Maar toen hij binnenkwam en zijn vader het eten aanbood, vroeg die bevreemd: ‘Wie is daar?’ Esau zei dat hij het was en Isaak schrok zichtbaar.
Dutch SVV 2018 (Statenvertaling Jongbloed-editie)
En Izak, zijn vader, zeide tot hem: Wie zijt gij? En hij zeide: Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Ezau.
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
En Izak, zijn vader, zeide tot hem: Wie zijt gij? En hij zeide: Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Ezau.