Genesis 28:4 — Compare Translations
10 translations compared side by side
Dutch (BB) 2016 BasisBijbel
Hij zal jou en je familie ná jou de zegen van Abraham geven. Daardoor zal het land waar je nu als vreemdeling woont, van jou worden. Want dat heeft Hij aan Abraham beloofd."
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
Moge Hij je de zegen van Abraham geven, jou en je nageslacht met je, zodat je het land waar je vreemdeling bent, dat God aan Abraham gegeven heeft, in bezit krijgt.
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
Hij geve u de zegen van Abraham, u en uw nageslacht met u, zodat gij het land uwer vreemdelingschap, dat God aan Abraham gegeven heeft, in bezit krijgt.
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
Hij moge de zegen van Abraham aan u en uw nageslacht schenken, zodat gij het land moogt bezitten, waar ge als vreemdeling woont, maar dat God aan uw vader Abraham gaf.
Dutch 2007 (HTB)
Hij geve jou en je nakomelingen de zegeningen, die Hij Abraham heeft beloofd. Hij geve je het land, waarin wij nu als vreemdelingen wonen en dat Hij Abraham al heeft beloofd."
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
Dat Hij jou en je nakomelingen mag zegenen met de zegen die Hij Abraham gaf, zodat je het land in bezit zult krijgen waar je nu als vreemdeling rondtrekt, het land dat God aan Abraham heeft gegeven."
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
Mag Hij je de zegen van Abraham geven, aan jou en aan jouw zaad dat bij je is, opdat je het land waar je als vreemdeling gewoond hebt, zult beërven, het land dat GOD aan Abraham heeft gegeven.”
Dutch HTB 2007 (Het Boek)
Hij geve jou en je nakomelingen de zegeningen die Hij Abraham heeft beloofd. Hij geve je het land waarin wij nu als vreemdelingen wonen en dat Hij Abraham al heeft beloofd.’
Dutch SVV 2018 (Statenvertaling Jongbloed-editie)
En Hij geve u den zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft.
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
En Hij geve u den zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft.