Genesis 33:5 — Compare Translations

10 translations compared side by side

Dutch (BB) 2016 BasisBijbel
Toen zag Ezau de vrouwen en de kinderen en vroeg: "Wie heb je daar bij je?" Jakob antwoordde: "De kinderen die God in zijn goedheid aan mij heeft gegeven."
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
Toen sloeg hij zijn ogen op en zag de vrouwen en de kinderen. Hij vroeg: Wie heb je daar bij je? Jakob zei: Dat zijn de kinderen die God uw dienaar in Zijn genade geschonken heeft.
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
Daarna sloeg hij zijn ogen op, zag de vrouwen en de kinderen, en vroeg: Wie hebt gij daar bij u? En hij antwoordde: De kinderen, die God in zijn genade aan uw knecht geschonken heeft.
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
Toen hij zijn ogen opsloeg en de vrouwen met de kinderen zag, vroeg hij: Wie hebt ge daar? Hij antwoordde: Het zijn de kinderen, die het God heeft behaagd, aan uw dienaar te schenken.
Dutch 2007 (HTB)
Esau wees op de vrouwen en kinderen en vroeg: "Wie zijn dat, die je daar bij je hebt?" "Mijn kinderen", antwoordde Jakob.
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
Toen Ezau de vrouwen en de kinderen zag, vroeg hij: "Wie heb je daar bij je?" Jakob antwoordde: "Dat zijn de kinderen die God mij in zijn genade heeft geschonken."
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
Daarna sloeg hij zijn ogen op en zag de vrouwen en de kinderen en zei: “Wie heb je daar allemaal bij je?” Hij zei: “De kinderen die GOD in zijn genade aan je dienaar gegeven heeft.”
Dutch HTB 2007 (Het Boek)
Esau wees op de vrouwen en kinderen en vroeg: ‘Wie zijn dat, die je daar bij je hebt?’ ‘Dat zijn de kinderen die God mij geschonken heeft,’ antwoordde Jakob.
Dutch SVV 2018 (Statenvertaling Jongbloed-editie)
Daarna hief hij zijn ogen op, en zag die vrouwen en die kinderen, en zeide: Wie zijn deze bij u? En hij zeide: De kinderen, die God aan uw knecht genadiglijk verleend heeft.
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
Daarna hief hij zijn ogen op, en zag die vrouwen en die kinderen, en zeide: Wie zijn deze bij u? En hij zeide: De kinderen, die God aan uw knecht genadiglijk verleend heeft.