Genesis 35:10 — Compare Translations

10 translations compared side by side

Dutch (BB) 2016 BasisBijbel
"Je heet Jakob. Maar voortaan zul je niet meer Jakob [(= 'verdringer')] genoemd worden, maar Israël [(= 'worstelaar met God')]." Zo gaf Hij hem dus de nieuwe naam Israël.
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
God zei toen tegen hem: Uw naam is Jakob, maar uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij gaf hem de naam Israël.
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
en God zeide tot hem: Gij heet Jakob; gij zult niet meer Jakob heten, maar Israël zal uw naam zijn. En Hij noemde hem Israël.
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
En God sprak tot hem: Uw naam is Jakob; voortaan zult ge geen Jakob meer heten, maar Israël zult ge worden genoemd. Zo gaf Hij hem de naam Israël.
Dutch 2007 (HTB)
En God zei: "U zult niet langer Jakob (Bedrieger) worden genoemd, maar Israël (Hij, die overwint met God).
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
God zei: "Je naam is Jakob. Maar voortaan zul je niet meer Jakob heten, maar Israël." Zo gaf Hij hem de naam Israël.
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
GOD zei tegen hem: “Je naam is Jakob. Voortaan zul je niet meer Jakob genoemd worden, maar je naam zal Israël zijn.” En Hij noemde hem Israël.
Dutch HTB 2007 (Het Boek)
En God zei: ‘U zult niet langer Jakob (Bedrieger) worden genoemd, maar Israël (Hij die overwint met God).
Dutch SVV 2018 (Statenvertaling Jongbloed-editie)
En God zeide tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israël.
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
En God zeide tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israel zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israel.