John 1:22 — Compare Translations

13 translations compared side by side

Dutch (BB) 2016 BasisBijbel
"Maar wie ben je dan? Wat moeten we zeggen tegen de mensen die ons hebben gestuurd? Hoe noem je jezelf?"
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
Zij zeiden dan tegen hem: Wie bent u, opdat wij antwoord kunnen geven aan hen die ons gestuurd hebben; wat zegt u van uzelf?
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij? Wij moeten toch antwoord geven aan hen, die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelf?
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
Ze zeiden hem dan: Wie zijt ge; opdat we antwoord brengen aan hen, die ons gezonden hebben; wat zegt ge van uzelf?
Dutch 2007 (HTB)
"Maar wie bent u dan? Zeg het alstublieft, anders kunnen wij niet eens antwoord geven aan de mensen die ons gestuurd hebben."
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
Daarop zeiden ze: "Maar wie ben je dan? We moeten een antwoord hebben voor degenen die ons hebben gestuurd. Hoe noem je jezelf?"
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
Daarop zeiden zij tegen hem: “Wie ben je? Wij moeten antwoord kunnen geven aan hen die ons gezonden hebben. Wat zeg je van jezelf?”
Dutch Frisian
See säde donn too am: Wäa best dü? Omm daut wie Auntwuat jäwe dän, dee ons jeschetjt ha; waut sajchst dü von die selfst?
Dutch GBVNT (Gods Boek - het Nieuwe Testament)
Toen vroegen ze: “Wie bent u dan? We moeten de mensen die ons hebben gestuurd toch een antwoord geven! Wie zegt u dat u bent?”
Dutch HTB 2007 (Het Boek)
‘Maar wie bent u dan? Zeg het alstublieft, anders kunnen wij geen antwoord geven aan de mensen die ons gestuurd hebben.’
Dutch Reimer 2001
Donn saede see to am: "Waea best du? daut wie daen ne Auntwuut jaewe kjenne dee onns jeschekjt habe. Waut sachst du fonn die selfst?"
Dutch SVV 2018 (Statenvertaling Jongbloed-editie)
Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij? opdat wij antwoord geven mogen dengenen, die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelven?
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij? opdat wij antwoord geven mogen dengenen, die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelven?