Leviticus 19:15 — Compare Translations
10 translations compared side by side
Dutch (BB) 2016 BasisBijbel
Jullie rechters moeten rechtvaardig zijn. Ze mogen arme mensen niet voortrekken, maar rijke mensen ook niet. Ze moeten over iedereen op een rechtvaardige manier rechtspreken.
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
U mag geen onrecht doen in de rechtspraak, u mag geen partij trekken voor de arme en de aanzienlijke niet voortrekken. Op rechtvaardige wijze moet u uw naaste oordelen.
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
Gij zult bij het rechtspreken geen onrecht doen; gij zult de arme niet begunstigen en de aanzienlijke niet voortrekken: op rechtvaardige wijze zult gij uw naaste berechten.
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
Gij zult bij de rechtspraak geen onrecht begaan: den arme niet bevoordelen, maar ook niet de partij van den rijke kiezen; met rechtvaardigheid moet ge uw naaste oordelen.
Dutch 2007 (HTB)
Rechters moeten bij hun uitspraken altijd rechtvaardig blijven en zich niet laten leiden door het feit of iemand rijk of arm is; zij moeten altijd strikt rechtvaardig zijn.
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
Jullie mogen geen onrecht doen bij de rechtspraak. Jullie mogen armen niet voortrekken, en evenmin partij kiezen voor de rijken. Rechtvaardig moeten jullie over je naasten rechtspreken.
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
Bij een rechtszaak mogen jullie geen onrecht doen. Je zult de arme niet ontzien en de voorname niet bevoordelen. Je zult rechtvaardig rechtspreken over je naaste.
Dutch HTB 2007 (Het Boek)
Rechters moeten bij hun uitspraken altijd rechtvaardig blijven en zich niet laten leiden door het feit of iemand rijk of arm is, zij moeten altijd strikt rechtvaardig zijn.
Dutch SVV 2018 (Statenvertaling Jongbloed-editie)
Gij zult geen onrecht doen in het gericht; gij zult het aangezicht des geringen niet aannemen, noch het aangezicht des groten voortrekken; in gerechtigheid zult gij uw naaste richten.
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
Gij zult geen onrecht doen in het gericht; gij zult het aangezicht des geringen niet aannemen, noch het aangezicht des groten voortrekken; in gerechtigheid zult gij uw naaste richten.