Ruth 2:13 — Compare Translations

10 translations compared side by side

Dutch (BB) 2016 BasisBijbel
Toen zei Ruth: "U bent wel heel vriendelijk voor mij, mijn heer. Uw woorden troosten mij. U heeft mij weer hoop gegeven, ook al hoor ik niet bij de vrouwen die voor u werken."
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
En zij zei: Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, want u hebt mij getroost en u hebt naar het hart van uw dienares gesproken, hoewel ik niet ben als een van uw dienaressen.
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
Daarop zeide zij: Gij betoont mij wel uw gunst, mijn heer, want gij hebt mij vertroost en naar het hart van uw dienstmaagd gesproken, hoewel ik niet de gelijke ben van een uwer dienstmaagden.
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
Rut hernam: Heer, laat me slechts genade in uw ogen vinden! Gij hebt me moed gegeven en vleiende woorden tot uw dienstmaagd gesproken, ofschoon ik me niet met een van uw dienstmaagden vergelijken mag.
Dutch 2007 (HTB)
"Dank u wel, meneer", antwoordde Ruth. "U bent zo vriendelijk voor mij, terwijl ik niet eens een arbeidster van u ben!"
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
Toen zei Ruth: "Dank u, mijn heer, dat u mij bemoedigt en zo vriendelijk voor mij bent, terwijl ik niet eens behoor tot de vrouwen die bij u in dienst zijn."
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
Toen zei zij: “Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, omdat u mij getroost hebt en tot het hart van uw slavin gesproken hebt, hoewel ik niet ben als één van uw slavinnen.”
Dutch HTB 2007 (Het Boek)
‘Dank u wel, meneer,’ antwoordde Ruth. ‘U bent zo vriendelijk voor mij, terwijl ik niet eens een arbeidster van u ben!’
Dutch SVV 2018 (Statenvertaling Jongbloed-editie)
En zij zeide: Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, dewijl gij mij getroost hebt, en dewijl gij naar het hart uwer dienstmaagd gesproken hebt, hoewel ik niet ben, gelijk een uwer dienstmaagden.
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
En zij zeide: Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, dewijl gij mij getroost hebt, en dewijl gij naar het hart uwer dienstmaagd gesproken hebt, hoewel ik niet ben, gelijk een uwer dienstmaagden.