bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2007 (HTB)
/
2 Chronicles 33
2 Chronicles 33
Dutch 2007 (HTB)
← Chapter 32
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 34 →
1
Manasse was nog maar twaalf jaar oud toen hij koning werd en regeerde 55 jaar vanuit Jeruzalem.
2
Maar hij voerde een goddeloos bewind, want hij moedigde zijn onderdanen aan de afgoden te aanbidden van de heidense volken die de HERE had vernietigd toen het volk Israël het land binnentrok.
3
Hij herbouwde de heidense tempels die zijn vader Hizkia had afgebroken, evenals de altaren van Baäl en de Asjéra-beelden. Ook boog hij neer voor de zon, de maan en de sterren en aanbad deze regelmatig.
4
Hij plaatste zelfs heidense altaren op de beide voorpleinen van de tempel van de HERE, die dienden voor de verering van zon, maan en sterren. En dat op de plaats waarvan de HERE had gezegd, dat Hij daar voor altijd zou worden vereerd.
6
Manasse offerde zelfs zijn eigen kinderen als brandoffer in het dal Ben-Hinnom. Hij ging te rade bij mediums, waarzeggers en bezweerders en moedigde elk soort goddeloosheid aan. Hij deed afschuwelijke zonden in de ogen van de HERE en riep zo Zijn toorn op.
7
Hij presteerde het zelfs een afgodsbeeld in Gods eigen tempel te plaatsen, waarvan God tegen David en zijn zoon Salomo had gezegd: "Ik zal worden vereerd in deze tempel en in Jeruzalem, de stad die Ik uit alle andere steden van Israël heb gekozen om daar voor altijd te worden vereerd.
8
En als u zich aan mijn geboden houdt en aan alle wetten en aanwijzingen die Mozes u heeft gegeven, dan zal Ik Israël nooit meer verbannen uit dit land, dat Ik uw voorouders gaf."
9
Maar Manasse moedigde de inwoners van Juda en Jeruzalem aan tot nog meer goddeloze daden dan de volken hadden gedaan, die de HERE destijds vernietigde toen Israël het land binnentrok.
10
Hoewel de HERE tot Manasse en zijn volk sprak, luisterden zij niet naar Zijn waarschuwingen.
11
Daarom stuurde God het Assyrische leger, dat hen gevangen nam en naar Babel wegvoerde.
12
Pas toen Manasse in uiterste nood verkeerde, vernederde hij zich en vroeg de HERE, de God van zijn voorouders, om hulp.
13
En de HERE luisterde en beantwoordde zijn smeekbede door hem terug te brengen naar Jeruzalem en zijn koninkrijk. Toen dat was gebeurd, besefte Manasse pas goed dat de HERE alleen God was.
14
Hierna herbouwde hij de buitenmuur van de Stad van David, ten westen van de bron van Gihon in het Kidrondal, die naar de Vispoort en rond Ofel liep. Bovendien maakte hij de muur een stuk hoger. Zijn legeraanvoerders verspreidde hij over alle versterkte steden van Juda.
15
Tevens verwijderde hij alle heidense afgodsbeelden en ook die in de tempel. De altaren die hij op de tempelheuvel had gebouwd en die overal in Jeruzalem stonden, liet hij buiten de stad brengen.
16
Daarna nam hij het altaar van de HERE weer in gebruik en bracht er offers op (vrede) en dankoffers) en verlangde van de inwoners van Juda dat zij de HERE, de God van Israël, ook weer gingen vereren.
17
De mensen bleven echter gewoon op de altaren in de heuvels offeren, al waren die offers nu wel bestemd voor de HERE, hun God.
18
De rest van Manasses daden, zijn gebed tot God en Gods antwoord door de profeten, staan allemaal beschreven in het Boek over de Koningen van Israël.
19
Zijn gebed en de manier waarop God hem verhoorde, plus een duidelijke lijst van zijn zonden en fouten, inclusief een opsomming van de plaatsen waar hij heidense tempels, Asjéra-beelden en andere afgodsbeelden plaatste (uiteraard vccr de grote ommekeer in zijn leven) zijn opgenomen in de Kronieken van de profeten.
20
Na zijn dood werd Manasse in de tuin van zijn paleis begraven en zijn zoon Amon volgde hem op. Deze Amon was 22 jaar toen hij in Jeruzalem aan de regering kwam, maar hij was maar twee jaar aan het bewind.
22
Het was een goddeloos bewind, net zoals dat in de vroege regeringsjaren van zijn vader Manasse; Amon offerde aan alle afgodsbeelden die zijn vader had laten maken.
23
Maar hij wilde niets weten van bekering, zoals dat bij zijn vader wel het geval was. Integendeel, hij begon steeds zwaarder te zondigen en laadde een zeer grote schuld op zich.
24
Uiteindelijk werd hij in zijn paleis vermoord door zijn eigen officieren, die een complot tegen hem hadden gesmeed.
25
Maar het volk zorgde ervoor dat zijn moordenaars werden gedood en riep zijn zoon Josia uit tot nieuwe koning.
← Chapter 32
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 34 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36