bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (BB) 2016 BasisBijbel
/
Ezekiel 27
Ezekiel 27
Dutch (BB) 2016 BasisBijbel
← Chapter 26
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 28 →
1
De Heer zei tegen mij:
2
"Mensenzoon, zing dit treurlied over Tyrus.
3
Zing over die haven aan de zee, die belangrijke handelsstad die met vele landen en eilanden handel drijft: Tyrus, jij vond jezelf een stralende stad, een volmaakte stad.
4
De mensen die jou bouwden, maakten je tot iets prachtigs. Je lag midden in de zee.
5
Je leek wel een schip, gebouwd van cipressenhout uit Senir. Een cederboom van de Libanon was je mast.
6
Je roeiriemen waren van eikenhout van Basan. Je dek was van cipressenhout van Cyprus, ingelegd met ivoor.
7
Je zeil was van prachtig geborduurd linnen uit Egypte. Je dektent was van prachtige blauwe en rode stoffen van de eilanden van Elisa.
8
Je roeiers waren mannen uit Sidon en Arvad. Je beste zeelui waren bij jou aan boord als matroos.
9
Je werd gerepareerd door knappe timmermannen uit Gebal. Tyrus, alle zeeschepen kwamen naar jou om met jou en elkaar koopwaar te ruilen.
10
Mannen uit Perzië, Lydië en Put deden bij jou dienst in het leger. Ze hingen hun schilden en helmen aan je muren. Zij maakten je beroemd.
11
Mannen uit Arvad hielden de wacht op je muren. Mannen uit Gammad bewaakten je torens. Hun schilden en helmen hingen overal aan je muren. Ze maakten je werkelijk prachtig.
12
Tarsis dreef handel met je, omdat je zoveel verschillende koopwaar had. Ze brachten zilver, ijzer, tin en lood naar je markten.
13
Handelaars uit Javan, Tubal en Mesech brachten slaven en koperen voorwerpen in ruil voor jouw koopwaar.
14
Handelaars uit Bet-Togarma brachten paarden, rijdieren en ezels naar je markten.
15
De bewoners van Dedan en van andere eilanden dreven handel met je. Ze betaalden je met ivoor en ebbenhout.
16
Aram betaalde jouw producten met edelstenen, rode textielverf, geborduurde kleren, linnen en parelmoer.
17
Juda en Israël brachten graan uit Minnit, en mirre, honing, olijf-olie en balsem.
18
Damaskus kocht allerlei producten van jou in ruil voor wijn uit Helbon en witte wol.
19
Dan en Javan brachten garen uit Oezal. Ook verkochten ze gesmeed ijzer, kaneel en kalmoes aan je.
20
Dedan verkocht zadelkleden voor de paarden.
21
Arabië en de heersers van Kedar verkochten schapen en geiten aan je.
22
De handelaars van Scheba en Raëma betaalden op je markten met de beste specerijen, edelstenen en goud.
23
Handelaars uit Haran, Kanne en Eden, Scheba, Assur en Kilmad
24
verkochten op je markten prachtige stoffen: blauwe stoffen, kleurig geborduurde stoffen en bonte tapijten, met touwen er omheen verpakt in kisten van cederhout.
25
De schepen uit Tarsis zongen over je, omdat ze met jou handel konden drijven.
26
Je roeiers brachten je op het wijde water. Maar een storm uit het oosten vernielt je, midden op zee.
27
Je schatten, je koopwaar, je matrozen, je hele bemanning, je timmermannen, je handelaars, je krijgers, ja, iedereen aan boord zinkt weg in de diepe zee op de dag dat je vergaat.
28
De mensen in de steden beven als ze horen hoe je matrozen schreeuwen van angst.
29
De roeiers, de bemanning en de matrozen van andere schepen zullen hun schepen verlaten en op het vasteland blijven staan.
30
Ze jammeren luid over je en schreeuwen het uit. Ze gooien stof op hun hoofd en gaan in het stof op de grond zitten omdat ze zo verdrietig zijn.
31
Ze scheren hun hoofd kaal en doen rouwkleren aan omdat je er niet meer bent. Diepbedroefd huilen ze over je.
32
Huilend zingen ze een treurlied over je: 'Niemand was als jij, Tyrus, stad in zee die nu is verwoest!'
33
Toen je nog handel dreef, heb je veel volken rijk gemaakt, doordat je koopwaar naar alle kanten over de zee naar hen toe kwam. Vele koningen werden rijk dankzij jou.
34
Nu lig je daar, in stukken gebroken, vernietigd door de zee, opgeslokt door het water, met al je koopwaar en iedereen die aan boord was. Met man en muis ben je vergaan.
35
De bewoners van de landen langs de kust zijn geschokt over wat er met je gebeurd is. Koningen staan met verwrongen gezichten van schrik.
36
De handelaren van de andere landen fluiten je uit. Het is verschrikkelijk wat er met je is gebeurd. Je bent voor altijd verdwenen."
← Chapter 26
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 28 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48