bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
/
Jeremiah 13
Jeremiah 13
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
← Chapter 12
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 51
Chapter 52
Chapter 14 →
1
Zo heeft de HEERE tegen mij gezegd: Ga voor u een linnen gordel kopen, doe hem om uw middel en laat hem niet in het water komen.
2
Ik kocht de gordel overeenkomstig het woord van de HEERE, en deed hem om mijn middel.
3
Toen kwam het woord van de HEERE voor de tweede keer tot mij:
4
Neem de gordel die u gekocht hebt, die om uw middel zit, en sta op, ga naar de Eufraat en verberg hem daar in de kloof van een rots.
5
Ik ging en verborg hem bij de Eufraat, zoals de HEERE mij geboden had.
6
Nu gebeurde het na verloop van vele dagen, dat de HEERE tegen mij zei: Sta op, ga naar de Eufraat en neem vandaar de gordel mee, waarvan Ik u had geboden hem daar te verbergen.
7
Ik ging naar de Eufraat, zocht ernaar, en nam de gordel weg van de plaats waar ik hem verborgen had. En zie, de gordel was vergaan. Hij deugde nergens meer voor.
8
Toen kwam het woord van de HEERE tot mij:
9
Zo zegt de HEERE: Zo zal Ik de trots van Juda en de grote trots van Jeruzalem doen vergaan.
10
Dit boosaardige volk, dat weigert naar Mijn woorden te luisteren, dat hun verharde hart volgt, andere goden achternagaat om hen te dienen en zich voor hen neer te buigen — dat zal worden als deze gordel, die nergens meer voor deugt.
11
Want zoals een gordel gehecht zit aan het middel van een man, zo heb Ik heel het huis van Israël en heel het huis van Juda aan Mij gehecht, spreekt de HEERE, zodat het Mij zal zijn tot een volk, tot een naam en tot lof en tot luister, maar zij hebben niet geluisterd.
12
Zeg daarom dit woord tegen hen: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Elke kruik wordt gevuld met wijn. Zij zullen dan tegen u zeggen: Weten wij niet zeer goed dat elke kruik met wijn gevuld wordt?
13
Zeg dan tegen hen: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga alle inwoners van dit land, zelfs de koningen die in de plaats van David op zijn troon zitten, de priesters en de profeten en alle inwoners van Jeruzalem vullen tot zij dronken zijn.
14
Ik zal hen stukslaan, de een tegen de ander, de vaders samen met de kinderen, spreekt de HEERE, Ik zal geen medelijden hebben, niet ontzien en Mij niet ontfermen, maar hen te gronde richten.
15
Luister en neem ter ore, doe niet uit de hoogte, want de HEERE heeft gesproken.
16
Geef eer aan de HEERE, uw God, voordat Hij het duister maakt, en voordat in de schemering uw voeten zich stoten aan de bergen, en u uitziet naar licht, maar Hij het tot een schaduw van de dood maakt, het verandert in donkerte.
17
Als u dan nog niet luistert, zal mijn ziel wenen op verborgen plaatsen vanwege de hoogmoed, bitter schreien, ja, tranen stromen er uit mijn ogen naar beneden, want de kudde van de HEERE is gevangen weggevoerd.
18
Zeg tegen de koning en tegen de koningin-moeder: Verneder u, ga op de laagste plaats zitten, want wat op uw hoofd is, uw sierlijke kroon, is neergevallen.
19
De steden in het Zuiderland zijn gesloten, niemand is er die opendoet. Heel Juda is weggevoerd, volledig weggevoerd.
20
Sla uw ogen op en zie wie daar uit het noorden komen! Waar is de kudde, u eens gegeven, uw luisterrijke kleinvee?
21
Wat zult u zeggen wanneer Hij u zal straffen, aangezien u zelf hun geleerd hebt om leiders, hoofden over u te zijn? Zullen de weeën u niet aangrijpen zoals een barende vrouw?
22
Wanneer u dan in uw hart zegt: Waarom zijn deze dingen mij overkomen? Vanwege de grootheid van uw ongerechtigheid zijn de zomen van uw kleding opgetild, worden uw hielen overweldigd.
23
Kan ook een Cusjiet zijn huid veranderen, of een luipaard zijn vlekken? Zou ook u dan goed kunnen gaan doen, gewend als u bent om kwaad te doen?
24
Ik zal hen verspreiden als stoppels die wegstuiven door de woestijnwind.
25
Dit zal uw lot zijn, uw deel door Mij u toegemeten, spreekt de HEERE, omdat u Mij hebt vergeten en op leugen vertrouwde.
26
Daarom zal Ik ook de zomen van uw kleding omhoog tillen tot over uw gezicht, zodat uw schande gezien wordt:
27
uw overspeligheid en uw gehinnik, uw schandalige hoererij. Op de heuvels en in het veld heb Ik uw afschuwelijke afgoden gezien. Wee u, Jeruzalem, moet u niet rein worden? Hoelang zal dat nog duren?
← Chapter 12
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 51
Chapter 52
Chapter 14 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52