bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
/
Ezekiel 19
Ezekiel 19
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
← Chapter 18
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 20 →
1
En gij, hef een klaaglied aan over de vorsten van Israël,
2
en zeg: Hoe was uw moeder een leeuwin onder de leeuwen! Tussen jonge leeuwen legde zij zich neer, haar welpen bracht zij groot.
3
Een van haar welpen kweekte zij op, hij werd een jonge leeuw, verscheuren leerde hij zijn prooi, zelfs mensen verslond hij!
4
De volken hoorden van hem gewagen – in hun valkuil werd hij gevangen en met haken brachten zij hem naar het land Egypte.
5
Toen zij zag, dat haar hoop uitbleef, ja, was verloren gegaan, nam zij een andere van haar welpen en maakte hem tot jonge leeuw.
6
Fier liep hij rond tussen de leeuwen, hij was een jonge leeuw, verscheuren leerde hij zijn prooi, zelfs mensen verslond hij!
7
Hij onteerde hun weduwen en verwoestte hun steden; de gehele aarde werd van schrik vervuld om zijn machtig gebrul.
8
Nu keerden de volken zich tegen hem, uit de landstreken van rondom; hun net spreidden zij over hem uit, in hun valkuil werd hij gevangen.
9
Zij sloten hem op in een kooi, met haken bedwongen, naar Babels koning voerden zij hem en brachten hem in een sterke burcht, opdat zijn gebrul niet meer zou worden gehoord op de bergen van Israël.
10
Uw moeder – in de tijd van uw bloei was zij als een wijnstok, aan het water geplant, die vruchten ging dragen en ranken schoot door het overvloedige water.
11
Hij kreeg sterke takken: tot heersersstaven werden zij. Een daarvan schoot ver omhoog boven de dichte twijgen uit en viel in het oog door zijn hoogte, zijn welige ranken.
12
Maar in toorn werd (die wijnstok) uitgerukt, neergeworpen ter aarde. De wind uit het oosten verdroogde zijn vruchten; ze vielen af en droogden uit. Zijn sterke tak – een vuur verteerde hem!
13
Nu is hij geplant in de woestijn, in een land van dorheid en dorst.
14
Vuur ging er uit van zijn tak, dat twijg en vrucht verteerde. Geen sterke tak heeft hij meer over, geen staf tot heersen! Dit is een klaaglied en het is tot een klaaglied geworden.
← Chapter 18
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 20 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48