bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
/
Proverbs 5
Proverbs 5
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
← Chapter 4
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 6 →
1
Mijn zoon, sla acht op mijn wijsheid, neig uw oor naar mijn verstandigheid,
2
om bedachtzaamheid in acht te nemen en laten uw lippen kennis bewaren.
3
Want van honigzeem druipen de lippen der vreemde vrouw, gladder dan olie is haar gehemelte,
4
maar op het laatst is zij bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.
5
Haar voeten dalen af naar de dood, haar schreden raken het dodenrijk.
6
Opdat gij het pad des levens niet zoudt inslaan, zijn haar gangen doolwegen, zonder dat gij het weet.
7
Nu dan, zonen, luistert naar mij en wijkt niet af van de woorden mijns monds.
8
Houd uw weg ver van haar, nader niet tot de deur van haar huis,
9
opdat gij uw luister niet aan anderen geeft noch uw jaren aan een meedogenloze;
10
opdat vreemden zich niet verzadigen met uw vermogen, en uw moeizaam verworven goed niet kome in het huis van een onbekende,
11
zodat gij in het laatst zoudt kermen, als uw vlees en uw lijf verteerd zijn,
12
en gij zoudt zeggen: Hoe heb ik de tucht kunnen haten en heeft mijn hart de vermaning kunnen versmaden;
13
waarom heb ik niet geluisterd naar de stem van mijn leermeesters, heb ik mijn oor niet geneigd naar hen die mij onderrichtten!
14
Bijna was ik in alle kwaad geraakt – te midden van de gemeente en de vergadering.
15
Drink water uit uw eigen regenbak en welwater uit uw eigen bornput.
16
Moeten uw bronnen op straat overstromen, (uw) waterbeken op de pleinen?
17
Zij moeten voor u alleen zijn, niet voor vreemden nevens u.
18
Uw bron zij gezegend, verheug u over de vrouw uwer jeugd:
19
een liefelijke hinde, een bekoorlijke ree; laat haar boezem u te allen tijde vreugdedronken maken, wees bestendig verrukt over haar liefkozingen.
20
Waarom zoudt gij dan, mijn zoon, afdwalen naar een vreemde, de boezem van een onbekende omarmen?
21
Want voor de ogen des HEREN liggen ieders wegen open, Hij weegt al zijn gangen.
22
Zijn ongerechtigheden vangen de goddeloze, in de strikken zijner zonde raakt hij vast.
23
Hij sterft, omdat tucht hem ontbreekt, door zijn grote dwaasheid verdwaalt hij.
← Chapter 4
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 6 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31