bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch SVV 2018 (Statenvertaling Jongbloed-editie)
/
Job 39
Job 39
Dutch SVV 2018 (Statenvertaling Jongbloed-editie)
← Chapter 38
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 40 →
1
Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen?
2
Als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten, ter loering?
3
Wie bereidt de raaf haar kost, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is?
4
Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden?
5
Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren?
6
Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?
7
Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.
8
Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?
9
Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.
10
Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.
11
Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.
12
Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?
13
Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?
14
Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten?
15
Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?
16
Zijn van u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels?
17
Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt,
18
En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?
19
Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is tevergeefs, omdat zij zonder vreze is.
20
Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niets medegedeeld.
21
Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.
22
Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden?
23
Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking.
24
Het graaft in den grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, den geharnaste tegemoet.
25
Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard.
26
Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.
27
Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin.
28
In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich.
29
Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugelen uit naar het zuiden?
30
Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt?
31
Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats.
32
Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af.
33
Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij.
34
En de HEERE antwoordde Job, en zeide:
35
Is het twisten met den Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop.
36
Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
37
Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond.
38
Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren.
← Chapter 38
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 40 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42