bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
/
1 Chronicles 7
1 Chronicles 7
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
← Chapter 6
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 8 →
1
De zonen van Issaschar waren Tola, Pua, Jasib en Simron, vier in totaal.
2
De zonen van Tola waren Uzzi, Refaja, Jeriël, Jamai, Jibsam en Samuel. Zij waren familiehoofden. Het geslacht van Tola bestond uit dappere krijgslieden. Tijdens de regering van David telde hun families 22.600 man.
3
De zoon van Uzzi was Jizraja; de zonen van Jizraja waren Michaël, Obadja, Joël en Jissia. Deze vijf waren familiehoofden.
4
Ze hadden zo veel vrouwen en kinderen dat van de families van hun geslachten wel 36.000 man bij de legertroepen ingeschreven stonden.
5
Van de overige families van Issaschar staan 87.000 man ingeschreven in de geslachtsregisters, allemaal dappere krijgslieden.
6
De zonen van Benjamin waren Bela, Becher en Jediaël, drie in totaal.
7
De zonen van Bela waren Ezbon, Uzzi, Uzziël, Jerimot en Iri, vijf familiehoofden, dappere krijgslieden. In de geslachtsregisters staan van hen 22.034 man ingeschreven.
8
De zonen van Becher waren Zemira, Joas, Eliëzer, Eljoënai, Omri, Jeremot, Abia, Anatot en Alemet. Dit waren allemaal zonen van Becher.
9
Zij waren familiehoofden en dappere krijgslieden. In de geslachtsregisters staan van hun families 20.200 man ingeschreven.
10
De zoon van Jediaël was Bilhan. De zonen van Bilhan waren Jehus, Benjamin, Ehud, Kenaäna, Zetan, Tarsis en Ahisahar.
11
Al deze nakomelingen van Jediaël waren familiehoofden, dappere krijgslieden. Hun aantal weerbare mannen bedroeg 17.200 man.
12
Suppim en Huppim waren zonen van Ir; Husim was een zoon van Aher.
13
De zonen van Naftali waren Jaziël, Guni, Jezer en Sallum, nakomelingen van Bilha.
14
De zonen van Manasse waren Asriël, en Machir, de zoon van zijn Arameese bijvrouw. Machir was de vader van Gilead.
15
Machir nam een zus van Huppim en Suppim tot vrouw, Maächa geheten. Machirs tweede zoon heette Zelafead. Zelafead kreeg dochters.
16
Maar Maächa, de vrouw van Machir, kreeg een zoon en noemde hem Peres. Zijn broer heette Seres. Diens zonen waren Ulam en Rekem.
17
De zoon van Ulam was Bedan. Dit zijn de nakomelingen van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse.
18
Machirs zus Molechet kreeg Ishod, Abiëzer en Mala.
19
En de zonen van Semida waren Ajan, Sechem, Liki en Aniam.
20
De zoon van Efraïm was Sutela, diens zoon was Bered, diens zoon Tahat, diens zoon Elada, diens zoon Tahat,
21
diens zoon was Zabad, diens zonen waren Sutela, Ezer en Elad. De inheemse bevolking van Gat doodden Ezer en Elad toen deze daar vee kwamen stelen.
22
Hun vader Efraïm rouwde lange tijd over hen en zijn broers kwamen hem troosten.
23
Daarna sliep hij met zijn vrouw, ze werd zwanger en kreeg een zoon. Efraïm noemde hem Beria, omdat zijn familie door onheil getroffen was.
24
Zijn dochter heette Seëra. Zij bouwde Laag Bet-Horon, Hoog Bet-Horon en Uzzen-Seëra.
25
Hij kreeg ook zonen: Refa en Resef. Diens zoon was Tela, diens zoon Tahan,
26
diens zoon Ladan, diens zoon Ammihud, diens zoon Elisama,
27
diens zoon Nun en diens zoon Jozua.
28
De gebieden en plaatsen die tot hun erfbezit behoorden waren: Bet-El met de omliggende dorpen, in het oosten Naäran, in het westen Gezer met de omliggende dorpen, Sichem met de omliggende dorpen, tot aan Gaza met de omliggende dorpen.
29
In handen van Manasse waren echter Bet-Sean met de omliggende dorpen, Taänach met de omliggende dorpen, Megiddo met de omliggende dorpen en Dor met de omliggende dorpen. Dit zijn de woonplaatsen van de afstammelingen van Jozef, de zoon van Israël.
30
De zonen van Aser waren Jimna, Jisva, Jisvi, en Beria; Sera was hun zus.
31
De zonen van Beria waren Heber en Malkiël, die de vader is van Birzavit.
32
Heber kreeg Jaflet, Somer, Hotam en hun zus Sua.
33
De zonen van Jaflet waren Pasach, Bimhal en Asvat. Dit waren de zonen van Jaflet.
34
De zonen van Somer waren Ahi, Rohega, Jehubba en Aram.
35
De zonen van zijn broer Helem waren Zofa, Jimna, Seles en Amal.
36
De zonen van Zofa waren Sua, Harnefer, Sual, Beri, Jimra,
37
Bezer, Hod, Samma, Silsa, Jitran en Beëra.
38
De zonen van Jeter waren Jefunne, Pispa en Ara.
39
En de zonen van Ulla waren Ara, Hanniël en Rizja.
40
Dit zijn allemaal nakomelingen van Aser, familiehoofden, dappere krijgslieden en goede leiders. Hun aantal weerbare mannen, ingeschreven in de geslachtsregisters van hun geslacht, bedroeg 26.000 man.
← Chapter 6
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 8 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29