bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
/
1 Corinthians 10
1 Corinthians 10
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
← Chapter 9
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 11 →
1
Ik wil dat jullie beseffen, broeders en zusters, dat onze voorouders allemaal onder de wolk waren, en allemaal de zee zijn doorgegaan.
2
Allemaal zijn ze in Mozes gedoopt in de wolk en in de zee,
3
allemaal aten ze hetzelfde geestelijke voedsel,
4
en allemaal dronken ze dezelfde geestelijke drank, want ze dronken uit de geestelijke rots die met hen mee ging, en die rots was Christus.
5
En toch had God geen vreugde in het merendeel van hen, en ze werden geveld in de woestijn.
6
Deze dingen zijn gebeurd als voorbeeld voor ons, opdat wij niet naar het kwade zouden verlangen, zoals zij.
7
En aanbid geen afgoden, zoals een aantal van hen deed, zoals geschreven staat: "Het volk ging zitten om te eten en te drinken en ze stonden op om te spelen."
8
En laten we geen ontucht plegen, zoals een aantal van hen deed, en op één dag vielen er van hen drieëntwintigduizend.
9
En laten we Christus niet uitdagen, zoals een aantal van hen deed, en ze werden gedood door gifslangen.
10
En klaag niet opstandig tegen God, zoals een aantal van hen deed, en ze werden omgebracht door de vernietiger.
11
Al deze dingen zijn hun overkomen als een voorbeeld voor ons, en ze zijn opgeschreven als waarschuwing voor ons die nu aan het einde van de tijd leven.
12
Dus wie denkt stevig te staan, moet oppassen niet ten val te komen.
13
Jullie hebben geen bovenmenselijke verzoekingen te doorstaan, want God is trouw en zal niet toestaan dat jullie boven je krachten verzocht worden. Hij zal, wanneer verzoeking komt, ook voor uitkomst zorgen, zodat jullie ertegen bestand zullen zijn.
14
Houd je daarom ver van afgoderij, geliefde broeders en zusters.
15
Ik spreek tot verstandige mensen, dus beoordeel zelf wat ik zeg.
16
Door de wijnbeker waarvoor wij dankbaar zijn en God danken, worden we toch één met het bloed van Christus? En door het brood dat we breken, worden we toch één met het lichaam van Christus?
17
Door één brood zijn wij, hoewel met velen, met elkaar verbonden tot één Lichaam, doordat wij allemaal deelhebben aan dat ene brood.
18
Kijk maar naar het volk Israël: degenen die van de offers eten, hebben daarmee toch deel aan het altaar?
19
Wat wil ik hiermee zeggen? Dat een afgod iets te betekenen heeft, of een afgodenoffer?
20
Ik bedoel dat wat de volken offeren, een offer is aan de demonen, niet aan God. En ik wil niet dat jullie je met de demonen verbinden.
21
Jullie kunnen niet uit de wijnbeker van de Heer drinken, én uit de wijnbeker van de demonen. Jullie kunnen niet deelnemen aan de maaltijd van de Heer, én aan de maaltijd van de demonen.
22
Of willen we de afgunst van de Heer opwekken? Zijn we soms sterker dan Hij?
23
Alles is mij wel toegestaan, maar niet alles is raadzaam. Alles is mij wel toegestaan, maar niet alles is opbouwend.
24
Laat niemand op zijn eigen belang uit zijn, maar op het belang van de anderen.
25
Eet gerust alles wat op de vleesmarkt te koop is, zonder uit gewetensbezwaar navraag te doen;
26
want de aarde is van de Heer, met alles wat daar is.
27
Wanneer een ongelovige je uitnodigt voor de maaltijd en je neemt de uitnodiging aan, eet dan gerust alles wat je voorgezet wordt, zonder uit gewetensbezwaar navraag te doen.
28
Maar als iemand tegen je zegt: "Dat is van een afgodenoffer," eet het dan niet, omwille van degene die jou daarop wijst, en omwille van het geweten; want de aarde is van de Heer, met alles wat daar is.
29
Ik bedoel hier echter niet jouw eigen geweten, maar dat van die ander. Immers, mijn vrijheid wordt toch niet bepaald door andermans geweten?
30
Als ik onder dankzegging iets eet, kan een ander toch geen kwaad spreken van iets waarvoor ik God gedankt heb?
31
Of jullie nu eten of drinken of wat dan ook doen, doe alles tot eer van God.
32
Werp nergens een hindernis mee op, niet voor Joden, niet voor Grieken en niet voor de gemeente van God.
33
Ook ikzelf wil altijd in alles anderen terwille zijn, want het gaat niet om mijn eigen belang, maar om dat van de anderen, opdat ze gered zullen worden.
← Chapter 9
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 11 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16