bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
/
1 Kings 2
1 Kings 2
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
← Chapter 1
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 3 →
1
Toen Davids einde naderde,
2
droeg hij zijn zoon Salomo op: "Ook ik ga nu de weg van al het aardse. Wees vastberaden en laat zien dat je een man bent.
3
Dien je Heer*** God door zijn weg te bewandelen en je te houden aan al zijn voorschriften, geboden, wetten en bepalingen zoals die staan opgetekend in de Wet van Mozes, want dan zal alles wat je doet en onderneemt voorspoedig verlopen.
4
Dan zal de Heer*** de belofte nakomen die Hij mij gedaan heeft toen Hij zei: 'Als je zonen de juiste weg gaan door trouw met hun hele hart en hele ziel in mijn tegenwoordigheid te wandelen, zal het je niet ontbreken aan een man op de troon van Israël.'
5
Je weet ook wat Joab, de zoon van Zeruja, mij heeft aangedaan: dat hij de twee opperbevelhebbers van Israël, Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jeter, heeft gedood. In vredestijd heeft hij bloed vergoten alsof het oorlog was. Daarmee heeft hij als krijgsman de gordel om zijn middel en de schoenen aan zijn voeten met bloed besmeurd.
6
Ga met wijsheid te werk en laat zijn grijze haar niet in vrede afdalen in het dodenrijk.
7
Maar wees goed voor de zonen van Barzillai uit Gilead: laat hen met de andere gasten bij jou aan tafel eten. Want toen ik voor je broer Absalom op de vlucht was, hebben zij mij bijgestaan.
8
Dan is er ook nog Simeï, de zoon van Gera, de Benjaminiet uit Bahurim, die mij heeft uitgescholden en vervloekt toen ik naar Mahanaïm vluchtte, maar mij bij de Jordaan kwam afhalen toen ik terugkeerde. Ik heb hem toen bij de Heer*** gezworen dat ik hem niet zou doden.
9
Maar nu moet jij hem niet vrijuit laten gaan. Je bent een wijs man en je zult wel weten wat je met hem moet doen om zijn grijze haar bebloed in het dodenrijk te laten afdalen."
10
Toen ging David bij zijn voorouders te ruste en werd begraven in de Davidsstad.
11
David had 40 jaar over Israël geregeerd: zeven jaar in Hebron en 33 jaar in Jeruzalem.
12
Salomo zetelde op de troon van zijn vader David en hij regeerde krachtig.
13
Adonia, de zoon van Haggit, ging naar Batseba, de moeder van Salomo. Ze vroeg hem: "Kom je in vrede?"
14
Hij antwoordde: "Ja, ik kom in vrede. Ik wil u iets vragen." Ze zei: "Zeg het."
15
Toen zei Adonia: "U weet dat het koningschap mij toekwam en dat heel Israël verwachtte dat ik koning zou worden. Maar het liep anders en het koningschap ging naar mijn broer, omdat de Heer*** het hem schonk.
16
Nu zou ik u een verzoek willen doen en ik hoop dat u mij terwille zult zijn."
17
Ze zei: "Zeg het." Hij zei: "Vraag alstublieft aan koning Salomo om mij Abisag, de vrouw uit Sunem, tot vrouw te geven. Hij zal u vast en zeker terwille zijn."
18
Batseba antwoordde: "Dat is goed, ik zal je verzoek aan de koning overbrengen."
19
Daarop ging Batseba naar koning Salomo om hem Adonia's verzoek over te brengen. De koning stond op, liep haar tegemoet en boog voor haar. Daarna nam hij op zijn troon plaats en liet rechts van zich een zetel neerzetten voor de koningin-moeder. Ze nam naast hem plaats
20
en zei: "Ik wil een kleinigheid van je vragen en ik hoop dat je mij terwille zult zijn." De koning zei tegen haar: "Vraag het maar, moeder, ik zal u terwille zijn."
21
Toen zei ze: "Laat dan Abisag, de vrouw uit Sunem, aan Adonia tot vrouw gegeven worden."
22
Maar koning Salomo antwoordde zijn moeder: "Waarom vraagt u me om Abisag aan Adonia te geven? Vraag mij dan ook maar om hem het koningschap te geven! Hij is immers mijn oudere broer? Dat zouden hij, de priester Abjatar en Joab, de zoon van Zeruja, ook wel graag zien!"
23
En koning Salomo zwoer bij de Heer***: "Ik zweer bij God dat Adonia's verzoek hem het leven zal kosten.
24
Zo waar de Heer*** leeft, die mij heeft aangesteld en mij op de troon van mijn vader David heeft geplaatst en mijn huis de macht heeft geschonken zoals Hij had beloofd: vandaag nog zal Adonia gedood worden."
25
En koning Salomo gaf Benaja, de zoon van Jojada, bevel Adonia te doden. Benaja stak hem neer, zodat hij stierf.
26
Tegen de priester Abjatar zei de koning: "Ga bij je akkers bij Anatot wonen. Eigenlijk verdien je de doodstraf. Dat ik je vandaag niet dood is alleen omdat je de ark van de Heer Heer*** voor mijn vader David hebt gedragen en omdat je bij hem gebleven bent in al zijn ontberingen."
27
En Salomo verdreef Abjatar, zodat hij niet langer de priester van de Heer*** was. Zo gingen de woorden van de Heer*** in vervulling die Hij in Silo over het huis van Eli had uitgesproken.
28
Toen Joab hiervan hoorde, vluchtte hij naar de tent van de Heer*** en greep de horens van het altaar vast. Hij had vroeger weliswaar niet de kant van Absalom gekozen, maar later wel de kant van Adonia.
29
Het werd koning Salomo gemeld dat Joab naar de tent van de Heer*** was gevlucht, naar het altaar. Daarop stuurde Salomo Benaja, de zoon van Jojada, erheen met de woorden: "Ga erheen en steek hem neer."
30
Benaja ging naar de tent van de Heer*** en zei tegen Joab: "De koning beveelt je naar buiten te komen." Maar hij zei: "Nee, hier zal ik sterven." Benaja bracht zijn woorden over aan de koning en zei: "Dit is wat Joab gezegd heeft, dit is zijn antwoord."
31
Toen zei de koning tegen hem: "Doe wat hij heeft gezegd, steek hem neer en begraaf hem. Zo zul je de bloedschuld wegnemen die op mij en mijn vaders huis rust doordat Joab zonder aanleiding bloed vergoten heeft.
32
Zo laat de Heer*** zijn bloed op zijn eigen hoofd neerkomen. Hij heeft immers twee mannen, die rechtvaardiger en beter waren dan hij, neergestoken en gedood, buiten medeweten van mijn vader: Abner, de zoon van Ner, de opperbevelhebber van Israël, en Amasa, de zoon van Jeter, de opperbevelhebber van Juda.
33
Hun bloed zal neerkomen op Joab en zijn nageslacht. Maar de vrede van de Heer*** zal voor eeuwig rusten op David en zijn nageslacht, op zijn huis en zijn troon."
34
Benaja, de zoon van Jojada, ging erheen en doodde Joab. Joab werd in zijn huis in de woestijn begraven.
35
En de koning benoemde Benaja, de zoon van Jojada, in Joabs plaats tot opperbevelhebber van het leger. De priester Zadok stelde hij aan in de plaats van Abjatar.
36
Daarna ontbood de koning Simeï en zei tegen hem: "Bouw voor jezelf een huis in Jeruzalem en ga daar wonen, zonder ooit de stad te verlaten, waarheen dan ook.
37
Weet dit: zodra je de stad verlaat en de beek Kidron oversteekt, zul je worden gedood. Je bloed zal op je eigen hoofd neerkomen."
38
Simeï antwoordde de koning: "Het is goed. Ik zal doen wat u hebt gezegd, mijn heer de koning." En een tijd lang bleef Simeï in Jeruzalem.
39
Maar na verloop van drie jaar liepen twee slaven van Simeï weg naar Achis, de zoon van Maächa, de koning van Gat. Men liet Simeï weten: "Uw slaven zijn in Gat."
40
Toen zadelde Simeï zijn ezel en ging naar Gat, naar Achis, om zijn slaven te zoeken. Zo ging hij op weg en bracht zijn slaven terug uit Gat.
41
Het werd Salomo gemeld dat Simeï Jeruzalem had verlaten, naar Gat was gegaan en weer was teruggekeerd.
42
Daarop ontbood de koning Simeï en zei tegen hem: "Ik heb je toch bij de Heer*** bezworen en je nadrukkelijk gezegd: 'Zodra je ooit de stad verlaat, waarheen dan ook, zul je worden gedood'? En je hebt mij geantwoord: 'Dat is goed, ik heb het gehoord.'
43
Waarom heb je je dan niet gehouden aan deze eed bij de Heer*** en heb je mijn bevel genegeerd?"
44
En de koning zei: "In je hart weet je welk groot kwaad je mijn vader David hebt aangedaan. Daarom laat de Heer*** het kwaad dat je hebt gedaan op je eigen hoofd neerkomen.
45
Maar de zegen van de Heer*** rust op mij, koning Salomo. Davids troon zal voor eeuwig standhouden, in de tegenwoordigheid van de Heer***."
46
En op bevel van de koning bracht Benaja Simeï naar buiten en stak hem dood. Zo regeerde Salomo op krachtige wijze.
← Chapter 1
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 3 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22