bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
/
2 Kings 10
2 Kings 10
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
← Chapter 9
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 11 →
1
Achab had 70 zonen, die in Samaria woonden. Jehu schreef brieven aan de bestuurders van Jizreël in Samaria, aan de oudsten van de stad en aan de voogden die Achab over zijn zonen had aangesteld.
2
Daarin stond: "Doe het volgende wanneer u deze brief ontvangen hebt, aangezien de zonen van uw heer bij u wonen en u beschikt over strijdwagens, paarden, een versterkte stad en wapens:
3
bepaal wie van de zonen van uw heer daarvoor het meest geschikt is en laat hem op zijn vaders troon plaatsnemen. Strijd voor het huis van uw heer."
4
Maar ze werden heel erg bang en zeiden tegen elkaar: "Luister, twee koningen konden niet tegen hem standhouden. Hoe zouden wij dat dan kunnen?"
5
Daarom zonden ze de hofmaarschalk, de stadscommandant, de oudsten en de voogden naar Jehu met het bericht: "We zullen ons aan u onderwerpen. We zullen alles doen wat u ons zegt. We zullen niemand koning maken. Doe wat goed is in uw ogen."
6
Toen schreef hij hun een tweede brief, waarin stond: "Als u inderdaad aan mijn kant staat en mij wilt gehoorzamen, breng dan morgen om deze tijd de hoofden van alle zonen van uw heer hier bij mij in Jizreël." De zonen van de koning, 70 man, woonden bij de vooraanstaande mannen van de stad, die hen opvoedden.
7
Zodra zij de brief kregen, doodden ze de 70 zonen van de koning, deden hun hoofden in manden en lieten die naar Jehu in Jizreël brengen.
8
Een bode kwam Jehu melden: "Ze hebben de hoofden van de zonen van de koning gebracht." Jehu zei: "Leg ze op twee hopen bij de ingang van de poort en laat ze tot morgen liggen."
9
De volgende morgen kwam hij naar buiten, ging daar staan en zei tegen het volk: "Jullie treft geen schuld. Ikzelf heb een samenzwering gesmeed tegen mijn heer en hem gedood. Maar wie heeft al deze mannen gedood?
10
Weet dat geen woord van wat de Heer*** over het huis van Achab heeft gezegd onvervuld blijft. De Heer*** heeft gedaan wat Hij door zijn dienaar Elia heeft gezegd."
11
En Jehu doodde in Jizreël ook alle overige familieleden van het huis van Achab, en al zijn ministers, zijn vrienden en zijn priesters; hij liet niemand in leven van degenen die bij hem hoorden.
12
Daarna ging hij naar Samaria. Onderweg kwam hij langs Bet-Eked, een plaats waar de herders zich verzamelen.
13
Daar trof Jehu de broers van koning Ahazia van Juda aan. Hij vroeg hun: "Wie zijn jullie?" Ze antwoordden: "Wij zijn de broers van Ahazia, we komen de zonen van de koning en de koningin bezoeken."
14
Toen beval Jehu: "Grijp hen levend!" Ze grepen hen levend en doodden hen bij de put van Bet-Eked, 42 man. Hij liet niemand van hen in leven.
15
Nadat hij daar vertrokken was, kwam hij Jonadab, de zoon van Rechab, tegen. Hij groette hem en vroeg hem: "Sta je aan mijn kant? Denken wij er hetzelfde over?" Jonadab antwoordde: "Jazeker! Geef me de hand." Jehu gaf hem de hand en liet hem bij zich op de wagen klimmen.
16
En hij zei: "Kom met me mee en zie hoe vurig ik mij voor de Heer*** inzet." Hij liet hem op zijn wagen meerijden.
17
Toen hij in Samaria was gekomen, liet hij iedereen doden die nog van Achabs huis was overgebleven. Hij roeide de hele familie uit, zoals de Heer*** tegen Elia gezegd had.
18
Toen riep Jehu het hele volk bijeen en zei: "Achab heeft Baäl maar matig gediend. Jehu zal hem veel beter dienen.
19
Verzamel alle profeten, dienaren en priesters van Baäl hier bij mij. Zorg dat er niemand ontbreekt, want ik wil een groot offerfeest voor Baäl houden. Iedereen die wegblijft, bekoopt dat met zijn leven." Maar Jehu deed dit als list, om de dienaren van Baäl te kunnen ombrengen.
20
Vervolgens zei Jehu: "Kondig een feestdag af ter ere van Baäl." Zo gebeurde.
21
Jehu stuurde door heel Israël boden rond en alle dienaren van Baäl kwamen, niemand bleef weg. De tempel van Baäl stroomde helemaal vol.
22
Jehu droeg de opzichter van de kledingkamer op: "Breng alle dienaren van Baäl hun kleding." En de opzichter haalde voor hen de kleding tevoorschijn.
23
Daarna ging Jehu met Jonadab, de zoon van Rechab, de tempel van Baäl binnen en zei tegen de dienaren van Baäl: "Ga na of er onder jullie geen dienaren van de Heer*** zijn, maar uitsluitend dienaren van Baäl."
24
Toen ze naar binnen gingen om de vleesoffers en brandoffers te gaan brengen, stelde Jehu buiten 80 man op, die hij opdroeg: "Wie van jullie ook maar één van de mannen die ik aan jullie uitlever laat ontkomen, zal dat met zijn eigen leven bekopen."
25
Toen Jehu klaar was met het brandoffer, beval hij de lijfwacht en de aanvoerders: "Ga naar binnen en dood iedereen, laat niemand ontkomen!" Daarop doodden ze hen en gooiden de lijken neer.
26
Daarna gingen ze het versterkte deel van de tempel binnen, brachten de beelden naar buiten en verbrandden ze.
27
Ook hakten ze de heilige paal van Baäl in stukken. Bovendien braken ze de tempel van Baäl af en maakten op die plek latrines, die er tot op de dag van vandaag nog zijn.
28
Zo roeide Jehu in Israël de Baäldienst uit.
29
Maar hij volhardde in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël tot zonde had aangezet, namelijk de gouden stierkalveren die in Bet-El en in Dan stonden.
30
De Heer*** zei tegen Jehu: "Omdat je goed hebt gehandeld en mijn wil hebt gedaan en de plannen van mijn hart met het huis van Achab hebt uitgevoerd, zullen jouw zonen tot en met de vierde generatie op de troon van Israël zetelen."
31
Maar Jehu bewandelde niet met zijn hele hart de weg van de Wet van de Heer***, de God van Israël. Hij volhardde in de zonden van Jerobeam, die Israël tot zonde had aangezet.
32
In die tijd begon de Heer*** het land Israël te verkleinen: Hazaël veroverde een groot deel van het grensgebied van Israël,
33
namelijk de hele streek ten oosten van de Jordaan, dus de hele streek Gilead, die aan de stammen Gad, Ruben en Manasse toebehoorde, vanaf Aroër aan de beek Arnon, heel Gilead en Basan.
34
Het overige van de regering van Jehu, met al zijn daden en al zijn overwinningen, staat opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël.
35
Jehu ging bij zijn voorouders te ruste en werd in Samaria begraven. Zijn zoon Joahaz volgde hem als koning op.
36
In totaal heeft Jehu 28 jaar in Samaria over Israël geregeerd.
← Chapter 9
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 11 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25