bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
/
Proverbs 5
Proverbs 5
Dutch Statenvertaling (Importantia edition)
← Chapter 4
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 6 →
1
Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
2
Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
3
Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.
4
Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.
5
Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.
6
Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
7
Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
8
Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;
9
Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;
10
Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden;
11
En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is;
12
En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad!
13
En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars!
14
Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en der vergadering!
15
Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput;
16
Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten;
17
Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u.
18
Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd;
19
Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde.
20
En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?
21
Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
22
Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden.
23
Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.
← Chapter 4
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 6 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31