bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
/
Proverbs 29
Proverbs 29
Dutch 1939 (De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939)
← Chapter 28
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 30 →
1
Iemand die hardnekkig blijft, ondanks vermaning, Wordt plotseling onherstelbaar gebroken.
2
Als rechtvaardigen heersen, verheugt zich het volk; Als de boze regeert, zuchten de mensen.
3
Een man, die de wijsheid liefheeft, is een vreugde voor zijn vader; Wie zich ophoudt met deernen, verkwist zijn vermogen.
4
Door rechtvaardigheid houdt een koning het land in stand; Wie veel belastingen heft, put het uit.
5
Iemand die zijn naaste vleit, Spant een strik voor zijn voeten.
6
Op het pad van een booswicht ligt een valstrik, Maar de rechtvaardige loopt vrolijk voort.
7
De rechtvaardige houdt rekening met de rechten der armen, De boze echter verstaat geen reden.
8
Spotters steken een stad in brand, Wijzen bedaren het oproer.
9
Als een dwaas een rechtszaak heeft met een wijze, Is hij luidruchtig en vrolijk, maar heeft geen rust.
10
Bloeddorstige mensen haten den deugdzame, De goeden zijn bezorgd voor zijn leven.
11
De dwaas laat zijn toorn de vrije loop, De wijze houdt zijn gramschap inl.
12
Als een vorst geloof schenkt aan leugentaal, Worden al zijn dienaren slecht.
13
Een arme en een geldschieter ontmoeten elkaar: Jahweh schenkt beiden het licht der ogen.
14
Als een koning de armen billijk behandelt, Staat zijn troon voor altijd sterk.
15
Een stok en een vermaning schenken wijsheid; Een kind, dat aan zichzelf is overgelaten, maakt zijn moeder te schande.
16
Als de bozen regeren, tiert de misdaad; Als zij vallen, zien de rechtvaardigen met vreugde toe.
17
Tuchtig uw zoon, dan geeft hij u rust, En bezorgt hij u vreugde.
18
Is er geen openbaring dan verwildert het volk; Gelukkig is het, als het de Wet onderhoudt!
19
Niet met woorden alleen moet ge een slaaf vermanen; Hij verstaat ze wel, maar doet er niet naar.
20
Ziet ge iemand, die overijld spreekt: Voor een dwaas is er meer hoop dan voor hem.
21
Wie zijn slaaf van jongsaf verwent, Wordt tenslotte met ondank beloond.
22
Een opvliegend karakter sticht ruzie, Een driftkop misdraagt zich vaak.
23
Hoogmoed brengt een mens ten val, Ootmoed brengt hem tot eer.
24
Wie met een dief deelt, is zijn eigen vijand: Omdat hij de vloek hoort, en de zaak toch niet aangeeft
25
Menselijk opzicht spant een strik; Maar wie op Jahweh vertrouwt, is veilig.
26
Velen dingen naar de gunst van den koning, Maar Jahweh geeft ieder wat hem toekomt.
27
De rechtvaardigen hebben een afschuw van zondaars, De bozen een afschuw van een eerlijk man. Aanhangsel. Woorden van Agoer.
← Chapter 28
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 30 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31