bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2007 (HTB)
/
1 Samuel 30
1 Samuel 30
Dutch 2007 (HTB)
← Chapter 29
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 31 →
1
Drie dagen later kwamen David en zijn mannen terug bij hun stad Ziklag en merkten tot hun ontzetting dat de Amalekieten in hun afwezigheid de stad hadden overvallen en platgebrand.
2
Bovendien hadden zij alle vrouwen en kinderen ontvoerd.
3
Toen David en zijn mannen over de rokende puinhopen uitkeken en beseften wat met hun familieleden was gebeurd,
4
huilden zij tot zij geen tranen meer hadden.
5
Davids twee vrouwen, Ahinoam en Abigaïl, waren ook ontvoerd.
6
David voelde zich in het nauw gedreven, want door het verdriet om hun kinderen begonnen zijn mannen erover te praten hem te stenigen. Hij bleef echter op God vertrouwen.
7
Hij beval Abjathar de efod te halen.
8
Toen vroeg David de HERE: "Moet ik hen achtervolgen? Zal ik hen nog inhalen?" En de HERE zei hem: "Ja, ga hen achterna; u zult al uw dierbaren uit hun handen bevrijden!"
9
Even later zetten David en zijn 600 mannen de achtervolging op de Amalekieten in. Toen zij bij de beek Besor kwamen, waren 200 mannen zc uitgeput dat zij de beek niet konden oversteken. De andere 400 gingen echter onvermoeibaar verder.
11
Langs de weg in het veld vonden zij een jonge Egyptenaar en brachten die naar David. Hij had drie dagen en nachten niets te eten of te drinken gehad. Daarom gaven zij hem wat brood, een stuk vijgenkoek, twee rozijnenkoeken en wat water, waarvan hij zienderogen opknapte.
13
"Wie bent u en waar komt u vandaan?" vroeg David hem. "Ik ben een Egyptenaar, de knecht van een Amalekiet", antwoordde de jongen. "Mijn meester liet me hier drie dagen geleden achter omdat ik ziek werd.
14
We waren op de terugtocht, nadat we de Kerethieten in de Negeb, het zuiden van Juda en het gebied van Kaleb hadden overvallen. Daarbij hebben we ook de stad Ziklag in de as gelegd."
15
"Kunt u ons naar hen toebrengen?" vroeg David. De jonge man antwoordde: "Als u bij Gods naam zweert mij niet te doden en mij niet aan mijn meester terug te geven, zal ik met u meegaan en u de weg wijzen."
16
Zo bracht hij hen naar het kamp van de Amalekieten. Dat lag verspreid over de velden en de mannen aten, dronken en dansten van vreugde over de enorme buit die zij hadden geroofd uit het land van de Filistijnen en van Juda.
17
David en zijn mannen stortten zich op hen en richtten die nacht en de hele volgende dag een waar bloedbad aan. De enigen die ontsnapten, waren 400 jonge mannen die er op kamelen vandoor gingen.
18
Zo bevrijdde David allen die door de Amalekieten waren ontvoerd. De mannen vonden hun familieleden van jong tot oud terug, evenals al hun bezittingen en David redde ook zijn beide vrouwen.
20
Zijn mannen dreven al het vee bij elkaar en zeiden: "Dit is allemaal voor David, als beloning!"
21
Toen zij weer bij de beek Besor en de 200 achtergebleven mannen kwamen, begroette David hen uitbundig.
22
Maar de slechten onder Davids mannen mompelden: "Zij zijn niet met ons meegegaan en krijgen dus ook niets van de buit. Geef hun hun vrouwen en kinderen terug en zeg dat ze moeten maken dat ze wegkomen."
23
Maar David zei: "Nee, broeders! De HERE heeft ons beschermd en hielp ons de vijand te verslaan.
24
Denkt u dat ook maar iemand naar u luistert als u op die manier praat? Wij delen alles eerlijk, zowel degenen die hebben gevochten als degenen die onze eigendommen hebben bewaakt."
25
Vanaf dat moment maakte David dat tot een wet voor heel Israël en deze is nog steeds van kracht.
26
Teruggekomen in Ziklag, stuurde David een deel van de buit naar de leiders van Juda. "Dit is een geschenk voor u, buitgemaakt op vijanden van de HERE", schreef hij hun.
27
De geschenken werden gestuurd aan de steden waar David en zijn mannen hadden gewoond: Bethel, Ramoth in het zuiden, Jattir, Aroër, Sifmoth, Estemoa, Rachal, de steden van de Jerahmeëlieten, de steden van de Kenieten, Horma, Bor-Asan, Athach en Hebron.
← Chapter 29
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 31 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31