bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2007 (HTB)
/
Exodus 1
Exodus 1
Dutch 2007 (HTB)
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 2 →
1
Dit zijn de zonen van Jakob en hun gezinnen, die met hem meegingen naar Egypte: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issaschar, Zebulon, Benjamin, Dan, Naftali, Gad en Aser.
5
Zo gingen in totaal 70 mensen met hem mee (Jozef was al in Egypte).
6
Na verloop van tijd stierven Jozef en zijn broers en zo kwam er een einde aan hun generatie.
7
Hun afstammelingen waren echter erg vruchtbaar en hun aantal nam snel toe. Uit die kleine groep van 70 mensen groeide een flink volk, dat het hele land Gosen bevolkte.
8
Toen kreeg Egypte een nieuwe koning. (A) De naam van Jozef zei hem niets. Hij voelde dan ook geen enkele verplichting tegenover de inwoners van Gosen.
9
Hij zei tegen zijn eigen volk: "Die Israëlieten zijn gevaarlijk. Dat volk vermeerdert zich zo snel dat het, als er ooit oorlog komt, vast en zeker de kant van onze vijanden zal kiezen en het land zal verlaten.
10
Wij moeten zorgen dat het zover niet komt."
11
Daarom zetten zij de Israëlieten in bij de bouw van de voorraadsteden Pithom en Raämses. De opzichters waren echte tirannen, die het werk zo zwaar mogelijk maakten.
12
Maar hoe zwaarder het werk en de onderdrukking werden, des te sneller groeide het volk! De Egyptenaren zagen dat met lede ogen aan en verzwaarden de druk.
13
Het werd echte slavenarbeid op het land en bij de produktie van lemen stenen. Mishandeling was aan de orde van de dag.
15
Maar dat was nog niet genoeg. Farao, de koning van Egypte, droeg de vroedvrouwen van de Hebreeuwse vrouwen, Sifra en Pua, op alle pasgeboren jongens te doden en alleen de meisjes in leven te laten.
17
Maar Sifra en Pua waren godvrezende vrouwen en weigerden de koning te gehoorzamen. Zij lieten alle babies leven.
18
De koning liet hen bij zich komen en riep hen ter verantwoording: "Waarom hebben jullie mijn bevelen niet uitgevoerd en toch de pasgeboren jongens in leven gelaten?"
19
"Koning", antwoordden zij, "die Hebreeuwse vrouwen hebben zulke snelle bevallingen dat wij het niet kunnen bijhouden. Ze doen er niet zo lang over als de Egyptische vrouwen!"
20
God zegende deze vroedvrouwen. Het volk Israël bleef groeien en werd steeds talrijker.
21
Omdat de vroedvrouwen goed hadden gehandeld in de ogen van de HERE, gaf Hij hun zelf ook kinderen.
22
Toen gaf Farao zijn hele volk opdracht alle pasgeboren Hebreeuwse jongetjes in de Nijl te gooien. Alleen de kleine meisjes mochten blijven leven.
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 2 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40