bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2007 (HTB)
/
Exodus 4
Exodus 4
Dutch 2007 (HTB)
← Chapter 3
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 5 →
1
Mozes zei evenwel: "Zij zullen mij niet geloven! Ze zullen het niet doen en zeker niet als! k het zeg. Zij zullen zeggen: 'De HERE is helemaal niet aan u verschenen!"
2
"Wat hebt u daar in uw hand?" vroeg de HERE hem. "Een herdersstaf", antwoordde Mozes.
3
"Gooi hem eens op de grond", zei de HERE. Mozes gooide de staf neer; hij veranderde onmiddellijk in een slang en Mozes deed snel een stap terug.
4
Toen zei de HERE: "Pak hem bij zijn staart!" Mozes deed dat en plotseling werd het weer een herdersstaf!
5
"Doe dit en zij zullen u geloven!" zei de HERE. "Dan zullen zij er van overtuigd zijn dat de HERE, de God van Abraham, Isaäk en Jakob, werkelijk aan u is verschenen.
6
Steek nu uw hand tussen uw kleren ter hoogte van uw borst." Mozes deed het en toen hij de hand terugtrok, was die wit van de melaatsheid!
7
"Steek hem nu weer tussen uw kleren", zei God. Toen Mozes dat deed en de hand daarna weer terugtrok, was de melaatsheid verdwenen!
8
"Als zij het eerste wonder niet geloven, zal het tweede hen wel overtuigen!" zei de HERE.
9
"En als zij u na deze twee wonderen nog niet geloven, neem dan wat water uit de Nijl en gooi dat op de grond. Het zal veranderen in bloed."
10
Maar Mozes smeekte: "Och Here, ik ben helemaal geen goede spreker! Ik ben het nooit geweest en zal het ook nooit worden. Ook al hebt U met mij gesproken. Ik kom moeilijk uit mijn woorden en af en toe begin ik te stotteren. (A)
11
"Wie heeft de mens een mond gegeven?" vroeg de Here hem. "Ben Ik dat niet, de HERE? Wie maakt de mens stom of doof, ziende of blind?
12
Vooruit, zoek niet langer naar uitvluchten. Doe wat Ik u heb opgedragen. Ik zal u helpen met spreken en u vertellen wat u moet zeggen."
13
Maar Mozes wierp tegen: "Here, stuur toch alstublieft iemand anders!"
14
Toen werd de HERE boos en zei: "Goed, uw broer Aäron is een goed spreker. Hij komt hierheen om u te zoeken en zal erg blij zijn u te vinden.
15
Ik zal u zeggen wat u hem moet vertellen en dan zal Ik u beiden helpen bij het spreken en u zeggen wat u moet doen.
16
Hij zal uw spreekbuis naar het volk zijn. Net zoals Ik u vertel wat u moet zeggen, zult u het hem vertellen.
17
En vergeet niet uw staf mee te nemen zodat u de wonderen kunt doen, die Ik u heb laten zien."
18
Mozes ging terug naar huis en besprak de zaak met zijn schoonvader Jethro. "Als u het goed vindt", zei Mozes, "ga ik terug naar Egypte om mijn familie te bezoeken. Ik weet niet eens of ze nog wel leven." "Ga in vrede", antwoordde Jethro.
19
Voordat Mozes Midian verliet, zei de HERE tegen hem: "Wees niet bang om naar Egypte terug te gaan, want allen die u wilden doden, zijn overleden."
20
Zo trok Mozes met zijn vrouw en zonen op ezels naar Egypte. De 'staf van God' hield hij stevig vast!
21
De HERE zei tegen hem: "Als u terugkomt in Egypte, moet u naar Farao gaan en hem de wonderen laten zien die Ik u heb getoond. Ik zal hem echter koppig maken zodat hij het volk niet zal laten gaan.
22
Zeg dan tegen Farao: 'De HERE zegt: Israël is mijn oudste zoon
23
en Ik heb u opgedragen hem te laten gaan zodat hij Mij kan aanbidden. Als u weigert, zal Ik uw oudste zoon doden."
24
Mozes reisde verder met zijn gezin en toen hij op een avond stopte om te overnachten, verscheen de HERE hem en probeerde hem te doden.
25
Zijn vrouw Zippora greep een stenen mes, besneed haar zoon en hield de bloedende voorhuid tegen Mozes' voet. "Ik heb je leven gered met het bloed van mijn zoon", zei zij. Toen liet de HERE Mozes met rust.
27
Daarna zei de HERE tegen Aäron: "Ga Mozes in de woestijn tegemoet." Aäron reisde naar de berg Horeb, de berg van God, en ontmoette Mozes daar. Het was een gelukkig weerzien.
28
Mozes vertelde Aäron wat de HERE hem had opgedragen en wat zij moesten zeggen. Ook vertelde hij over de staf en de wonderen, die zij voor Farao moesten doen.
29
Zo gingen Mozes en Aäron samen terug naar Egypte en riepen de leiders van het volk Israël bijeen.
30
Aäron vertelde hun wat de HERE tegen Mozes had gezegd en Mozes toonde hun de wonderen.
31
Het volk geloofde dat de HERE hem had gestuurd. Toen de mensen hoorden dat de HERE hun moeilijkheden had gezien en hen nu wilde redden, waren zij erg blij. Zij knielden neer en aanbaden Hem.
← Chapter 3
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 5 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40