bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
/
1 Samuel 21
1 Samuel 21
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
← Chapter 20
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 22 →
1
Hij stond op en ging weg. En Jonathan kwam in de stad aan.
2
Toen kwam David in Nob bij de priester Achimelech. Achimelech kwam David bevend tegemoet en zei tegen hem: “Waarom ben je alleen en is er niemand bij je?”
3
David zei tegen de priester, tegen Achimelech: “De koning heeft mij een opdracht gegeven en tegen mij gezegd: ‘Laat geen mens weten van de zaak waarvoor ik je uitgezonden heb en die ik je opgedragen heb!’ De manschappen heb ik laten weten dat ze naar die-en-die plaats moeten gaan.
4
Nu dan, wat heb je bij de hand? Geef mij vijf broden in mijn hand of wat er ook maar te vinden is.”
5
De priester antwoordde David en zei: “Er is geen alledaags brood beschikbaar, maar wel is er heilig brood. Als de manschappen zich maar van de vrouwen onthouden hebben!”
6
David antwoordde de priester en zei tegen hem: “Zeker, de vrouwen zijn ons onthouden, gisteren zowel als eergisteren, ja vanaf dat ik eropuit trok, en de uitrusting van de manschappen is heilig. Ook al is dit een gewone tocht, dan nog is die vandaag door de uitrusting geheiligd.”
7
Toen gaf de priester hem het heilige brood, want er was geen brood, dan alleen het toonbrood, dat van voor het aangezicht van de HEERE weggenomen werd om er warm vers brood voor in de plaats te leggen op de dag dat men het wegnam.
8
Op die zelfde dag was daar een man uit de dienaren van Saul, die voor de HEERE afgezonderd was. Zijn naam was Doëg, de Edomiet, de machtigste van de herders die bij Saul hoorden.
9
David zei tegen Achimelech: “Heb je hier geen speer of zwaard bij de hand, want ik heb mijn zwaard en mijn wapens niet in mijn hand meegenomen, omdat de zaak van de koning haast had.”
10
De priester zei: “Het zwaard van Goliath, de Filistijn, die jij in het Dal van Ela hebt verslagen, zie, het ligt gewikkeld in een kleed achter de priester tuniek. Als je het wilt meenemen, neem het mee, want er is hier niets anders dan dit.” David zei: “Er is geen zwaard zoals dat! Geef het mij!”
11
David stond op en vluchtte op die dag voor Saul en hij kwam bij Achis, de koning van Gath.
12
De dienaren van Achis zeiden tegen hem: “Is dit niet David, de koning van het land? Zongen de vrouwen niet voor hem in beurtzang bij de rei dansen, terwijl zij zeiden: ‘Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden?’ ”
13
David trok zich deze woorden heel erg aan en hij werd vreselijk bang voor Achis, de koning van Gath.
14
Hij deed voor hun ogen alsof hij zijn verstand verloor en ging onder hun handen als een razende tekeer. Hij begon aan de deuren van de poort te krabben en liet zijn speeksel langs zijn baard lopen.
15
Toen zei Achis tegen zijn dienaren: “Kijk, jullie zien dat de man krankzinnig is. Waarom hebben jullie hem bij mij gebracht?”
16
Heb ik soms gebrek aan gekken dat jullie deze man meegenomen hebben om hier bij mij als een krankzinnige te keer te gaan? Moet zo iemand in mijn huis komen?”
← Chapter 20
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 22 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31