bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
/
2 Samuel 9
2 Samuel 9
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
← Chapter 8
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 10 →
1
David zei: “Is er nog iemand overgebleven van het huis van Saul, opdat ik hem met liefdevolle trouw behandel omwille van Jonathan?”
2
Tot het huis van Saul behoorde een dienaar met de naam Ziba. Zij lieten hem bij David komen. De koning zei tegen hem: “Ben jij Ziba?” En hij zei: “Uw dienaar.”
3
De koning zei “Is er soms nog iemand van het huis van Saul over, opdat ik hem GODs liefdevolle trouw bewijs?” Toen zei Ziba tegen de koning “Er is nog een zoon van Jonathan die verlamd is aan beide voeten.”
4
De koning zei tegen hem: “Waar is hij?” En Ziba zei tegen de koning: “Zie, hij is in het huis van Machir, de zoon van Ammiël, in Lodebar.”
5
Toen zond koning David een bode en die nam hem mee uit het huis van Machir, de zoon van Ammiël, uit Lodebar.
6
Toen Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van Saul, bij David binnenkwam, wierp hij zich met zijn gezicht ter aarde neer en knielde. En David zei: “Mefiboseth!” En hij zei: “Zie, hier is uw dienaar.”
7
David zei tegen hem: “Wees niet bang, want ik zal je met liefdevolle trouw behandelen omwille van je vader Jonathan. Ik zal alle akkers van je groot vader Saul aan jou teruggeven en je zult steeds de maaltijd aan mijn tafel gebruiken.”
8
Toen knielde hij en zei: “Wat is uw dienaar, dat u hebt omgezien naar een dode hond als ik?”
9
Toen riep de koning Ziba, de knecht van Saul, en zei tegen hem: “Alles wat van Saul was en van heel zijn huis, heb ik aan de zoon van je heer gegeven.
10
Jij zult de grond voor hem bewerken, jij en je zonen en je dienaren, en je zult de opbrengst binnenhalen opdat de zoon van je heer voedsel heeft om te eten. Mefiboseth, de zoon van je heer, zal steeds de maaltijd aan mijn tafel gebruiken.” Ziba had vijftien zonen en twintig dienaren.
11
Ziba zei tegen de koning: “Uw dienaar zal handelen overeenkomstig alles wat mijn heer de koning aan zijn dienaar gebiedt!” David zei ook: “Mefiboseth zal als één van de zonen van de koning aan mijn tafel eten.”
12
Mefiboseth had een jonge zoon met de naam Micha. Allen, die in het huis van Ziba woonden, waren dienaren van Mefiboseth.
13
Mefiboseth woonde in Jeruzalem want hij at steeds aan de tafel van de koning. Hij was verlamd aan beide voeten.
← Chapter 8
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 10 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24