bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
/
Isaiah 57
Isaiah 57
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
← Chapter 56
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 51
Chapter 52
Chapter 53
Chapter 54
Chapter 55
Chapter 56
Chapter 57
Chapter 58
Chapter 59
Chapter 60
Chapter 61
Chapter 62
Chapter 63
Chapter 64
Chapter 65
Chapter 66
Chapter 58 →
1
De rechtvaardige komt om, en er is niemand die het ter harte neemt. De goedertieren mensen worden weggenomen, zonder dat er iemand op let dat de rechtvaardige weggenomen wordt vóór het onheil.
2
Hij zal ingaan in de vrede; zij zullen rusten op hun slaapplaatsen, eenieder die in zijn oprechtheid wandelt.
3
Maar u, kom naderbij, kinderen van een waarzegster, gebroed van een overspeler en van iemand die hoererij bedrijft!
4
Over wie verlustigt u zich, tegen wie spert u uw mond wijd open, steekt u uw tong uit? Bent ú geen kinderen van overtreding, gebroed van bedrog?
5
U die gloeit van lust bij de eiken, onder elke bladerrijke boom; u die de kinderen slacht in de beekdalen, onder in de kloven van de rotsen.
6
Bij de gladde stenen van de dalen ligt uw deel, die, die zijn uw lot. Voor hen ook vergiet u een plengoffer, hun brengt u een graanoffer. Zou Ik Mij daarmee laten troosten?
7
Op een hoge en verheven berg spreidt u uw bed uit; ook daarheen klimt u op om een slachtoffer te brengen.
8
Achter de deur en de deurposten zet u uw gedenkteken neer. Want van Mij wendt u zich af, u ontbloot zich en klimt naar boven. U slaat uw bed wijd open en met enkelen van hen sluit u voor u een verbintenis. U hebt hun bed lief, op elke plaats die u ziet.
9
U reist met olie naar de koning en u vermeerdert uw welriekende zalven. U zendt uw gezanten ver weg en vernedert u tot de hel toe.
10
Door uw grote reis bent u afgemat, maar u zegt niet: Er is geen hoop meer. U hebt nieuwe levenskracht gevonden, daarom bent u niet verzwakt.
11
Maar voor wie bent u beducht of bevreesd geweest? U hebt immers gelogen en hebt aan Mij niet gedacht, Ik ben u niet ter harte gegaan. Is het niet om dat Ik heb gezwegen, en dat van oude tijden af, dat u Mij niet vreest?
12
Ík zal uw gerechtigheid bekendmaken, en uw daden: ze zullen u niets baten.
13
Wanneer u roept, laten zij u dan redden die door u verzameld zijn. Maar de wind zal hen allemaal wegvoeren, een zucht zal hen wegnemen. Maar wie tot Mij de toevlucht neemt, zal de aarde in erfelijk bezit krijgen en Mijn heilige berg in bezit nemen.
14
Men zal zeggen: Verhoog de weg, verhoog de weg, bereid de weg, neem elk struikelblok voor Mijn volk van de weg!
15
Want zo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoge hemel en in het heilige, en bij de verbrijzelde en nederige van geest, om levend te maken de geest van de nederigen, en om levend te maken het hart van de verbrijzelden.
16
Want Ik zal niet voor eeuwig ter verantwoording roepen en Ik zal niet voor altijd zeer toornig zijn. Want de geest zou van voor Mijn aangezicht bezwijken, de zielen die Ík gemaakt heb.
17
Ik was zeer toornig over de ongerechtigheid van hun winstbejag, Ik sloeg het volk, Ik verborg Mij en was zeer toornig. Maar het ging afkerig verder op de weg van zijn hart.
18
Ik heb zijn wegen gezien, Ik zal hem genezen, Ik zal hem leiden en hem vertroosting bieden, namelijk zijn treurenden.
19
Ik schep de vrucht van de lippen, vrede, vrede voor wie ver weg is en voor wie dichtbij is, zegt de HEERE, en Ik zal hem genezen.
20
Maar de goddelozen zijn als een opgezweepte zee, want die kan niet tot rust komen, en zijn water woelt modder en slijk op.
21
De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede!
← Chapter 56
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 51
Chapter 52
Chapter 53
Chapter 54
Chapter 55
Chapter 56
Chapter 57
Chapter 58
Chapter 59
Chapter 60
Chapter 61
Chapter 62
Chapter 63
Chapter 64
Chapter 65
Chapter 66
Chapter 58 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
Aanbevolen literatuur
Commentaar
Commentaren op Isaiah
→
Dagboek
Dagboek Isaiah
→
Deze Bijbel
Studiebijbel HSV
→