bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
/
Proverbs 7
Proverbs 7
Dutch (HSV) 2017 (Herziene Statenvertaling)
← Chapter 6
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 8 →
1
Mijn zoon, neem mijn woorden in acht, berg mijn geboden bij jou op.
2
Neem mijn geboden in acht en leef, en neem mijn onderricht in acht als je oogappel.
3
Bind ze aan je vingers, schrijf ze op de tafel van je hart.
4
Zeg tegen de wijsheid: Jij bent mijn zuster, en noem het inzicht je bloedverwant,
5
opdat zij je bewaren voor de vreemde vrouw, voor de onbekende die jou met haar woorden vleit.
6
Want door het venster van mijn huis, door mijn traliewerk, zag ik neer.
7
Ik zag bij de onverstandigen, ik merkte onder de jongeren een jongen zonder verstand op
8
die de straat overstak bij haar hoek en voortschreed in de richting van haar huis,
9
in de schemering, in de avond van de dag, te middernacht en in het donker.
10
En zie, een vrouw kwam hem tegemoet, uitgedost als een hoer en arglistig van hart.
11
Zij was onrustig en opstandig, haar voeten bleven niet thuis.
12
Nu eens op straat, dan weer op de pleinen, zij loerde bij alle hoeken.
13
Zij greep hem vast en kuste hem. Zij trok een stalen gezicht en zei tegen hem:
14
Ik moet dankoffers brengen, ik ben vandaag mijn geloften nagekomen.
15
Daarom ben ik naar buiten gegaan, jou tegemoet om je ijverig te zoeken en — daar vond ik je!
16
Ik heb mijn rustbank opgemaakt met dekens, kleurige spreien van Egyptisch linnen.
17
Mijn slaapplaats heb ik besprenkeld met mirre, aloë en kaneel.
18
Kom, laten we dronken worden van liefde, tot de morgen toe, laten we samen genieten van grote liefde.
19
Want mijn man is niet thuis, hij is voor een verre reis vertrokken.
20
Hij heeft de geldbuidel in zijn hand meegenomen, op de dag van de volle maan zal hij thuiskomen.
21
Zij haalde hem over door haar grote overredingskracht, zij verleidde hem door het gevlei van haar lippen.
22
Meteen ging hij achter haar aan, zoals een rund ter slachting gaat en zoals een dwaas in een enkelboei als straf,
23
totdat een pijl zijn lever splijt, zoals een vogel zich haast naar een strik, en niet weet dat het tegen zijn leven gericht is.
24
Nu dan, kinderen, luister naar mij en sla acht op de woorden van mijn mond.
25
Laat je hart niet afwijken naar haar wegen, laat het niet afdwalen op haar paden.
26
Zij heeft immers vele dodelijk gewonden doen neervallen, geweldig veel zijn allen die zij heeft gedood.
27
Haar huis is een weg naar het graf, die afdaalt naar de binnenkamers van de dood.
← Chapter 6
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 8 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31