bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
/
Deuteronomy 33
Deuteronomy 33
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
← Chapter 32
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 34 →
1
Dit is de zegen waarmee de godsman Mozes de Israëlieten voor zijn dood zegende.
2
Hij zei: "De Heer*** is van de Sinaï gekomen, Hij kwam [als de zon] over hen op vanuit Seïr, vol luister verscheen Hij vanaf het Parangebergte. Hij kwam met tienduizenden heiligen, aan zijn rechterhand was een vurige Wet voor hen.
3
Hij heeft de volken immers lief. U bewaart uw heiligen in uw hand. Ze zitten aan uw voeten, luisterend naar uw onderricht.
4
Mozes heeft ons de Wet gegeven, als bezit voor de menigte van Jakob.
5
En Hij was Koning in Jeshurun, toen de hoofden van het volk zich verzamelden op de vergadering van de stammen van Israël.
6
Geef dat Ruben zal leven en niet zal sterven, maar dat zijn mannen te tellen blijven."
7
Over Juda zei hij dit: "Hoor, Heer***, de roep van Juda en breng hem terug bij zijn volk. Geef zijn handen voldoende kracht, Heer***, wees zijn Helper tegen zijn vijanden."
8
Van Levi zei hij: "Uw Tummim en Urim zijn bij degene die aan U is toegewijd, die U op de proef hebt gesteld bij Massa en bij het water van Meriba hebt uitgedaagd,
9
die van zijn vader en moeder zei: 'Ik ken hen niet,' die zijn broeders niet wilde kennen en zijn zonen niet ontzag. Ze gehoorzaamden uw bevel en waren trouw aan uw verbond.
10
Zij zullen Jakob uw voorschriften leren en Israël uw Wet. Ze zullen reukwerk voor U neerleggen en op uw altaar brandoffers brengen die volledig worden verbrand.
11
Heer***, zegen hen met voorspoed en kijk met vreugde naar hun werk. Verpletter de heupen van hun belagers die hen haten, zodat ze nooit meer opstaan."
12
Van Benjamin zei hij: "Hij is geliefd door de Heer*** en zal veilig bij Hem wonen. De Heer*** zal hem dag en nacht beschermen, Hij zal wonen tussen zijn berghellingen."
13
Van Jozef zei hij: "Laat zijn land door de Heer*** gezegend worden met het beste van de hemel, met dauw, en met het beste van de waterdiepte die beneden ligt,
14
met het beste dat wordt voortgebracht door de zon en de maan,
15
met het kostbaarste van de oeroude bergen en het beste van de eeuwige heuvels,
16
met het beste van alles wat de aarde heeft, met de gunst van Hem die in de doornstruik was. Dat dit alles mag neerkomen op het hoofd van Jozef, op de kruin van de man die van zijn broers afgezonderd werd.
17
Hij heeft de kracht van een eerstgeboren stier, horens zo machtig als de horens van een wilde buffel. Daarmee zal hij alle volken stoten, tot aan de einden der aarde. Dit zijn de tienduizenden van Efraïm en dit zijn de duizenden van Manasse."
18
Van Zebulon zei hij: "Verheug je, Zebulon, op je verre tochten, en verheug je, Issaschar, in je tenten.
19
Zij zullen de stammen samenroepen bij de berg, waar ze passende offers zullen brengen. Ze zullen genieten van de overvloed van de zeeën en van wat onder het zand verborgen ligt."
20
Van Gad zei hij: "Geprezen is degene die Gad veel ruimte geeft. Gad ligt op de loer als een leeuw, hij verscheurt armen en hoofden.
21
Hij koos het beste voor zichzelf en vestigde zich in het deel dat aan een heerser had toebehoord. Met de leiders van het volk voerde hij de rechtvaardige wil van de Heer*** uit en gehoorzaamde Gods bevel betreffende Israël."
22
Van Dan zei hij: "Dan is een jonge leeuw die tevoorschijn springt uit Basan."
23
Van Naftali zei hij: "Naftali, vol van de gunst en de zegen van de Heer***, neem het westen en het zuiden in bezit."
24
Van Aser zei hij: "Laat Aser gezegend worden met zonen. Laat hij door zijn broeders geliefd zijn en laat hij zijn voeten in olijfolie mogen baden.
25
Je poortgrendels zullen van ijzer en koper zijn. Dat je kracht tot in lengte van dagen mag blijven."
26
"Er is niemand als God, Jeshurun! In zijn majesteit rijdt Hij langs de hemel, over de wolken, om jou te hulp te komen.
27
De eeuwige God is je schuilplaats, zijn eeuwige armen dragen je. Hij zal je vijanden voor je verdrijven en zal zeggen: 'Vernietig hen!'
28
Israël zal veilig en ongestoord wonen. Jakobs ogen zullen rusten op een land vol koren en wijn, met een hemel die druipt van de dauw.
29
Israël, wie is zo gezegend als jij? Je bent een volk dat is bevrijd door de Heer***, Hij is je reddende schild, je machtige zwaard. Daarom zullen je vijanden zich onderdanig aan je onderwerpen. Hun hoogten zul je vertrappen."
← Chapter 32
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 34 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34