bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
/
John 4
John 4
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
← Chapter 3
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 5 →
1
Toen de Heer merkte dat de Farizeeërs hadden gehoord dat Hij meer leerlingen maakte en doopte dan Johannes
2
– hoewel Hij niet Zelf doopte, maar zijn leerlingen deden dat –
3
verliet Hij Judea en keerde terug naar Galilea.
4
Hij moest door Samaria gaan.
5
Zo kwam Hij bij de Samaritaanse stad Sichar, gelegen bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven.
6
Daar bevond zich de Jakobsbron. Moe van de reis ging Jezus bij de bron zitten. Het was ongeveer het zesde uur.
7
Een Samaritaanse vrouw kwam water putten bij de bron. Jezus zei tegen haar: "Geef Mij wat te drinken."
8
Zijn leerlingen waren naar de stad gegaan om eten te kopen.
9
De Samaritaanse vrouw zei tegen Hem: "Hoe kunt U, een Jood, te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse vrouw?" Joden gaan namelijk niet om met Samaritanen.
10
Jezus antwoordde haar: "Als je wist van het geschenk van God en wie het is die jou om drinken vraagt, dan zou jij Hém erom gevraagd hebben, en Hij zou je levend water hebben gegeven."
11
De vrouw zei tegen Hem: "Heer, U hebt niets om water mee te putten en de put is diep. Waar wilt U dan levend water vandaan halen?
12
Bent U soms meer dan onze voorvader Jakob, die ons deze bron gegeven heeft en er ook zelf uit heeft gedronken met zijn zonen en zijn vee?"
13
Jezus antwoordde haar: "Iedereen die van dit water hier drinkt, zal opnieuw dorst krijgen.
14
Maar wie drinkt van het water dat Ik hem geef, zal voor eeuwig geen dorst meer krijgen. Het water dat Ik hem geef, zal in hem een bron worden waaruit water opborrelt dat eeuwig leven geeft."
15
De vrouw zei tegen Hem: "Heer, geef mij dat water, zodat ik nooit meer dorst krijg en ik hier geen water meer hoef te putten."
16
Jezus zei tegen haar: "Ga je man halen en kom dan hier terug."
17
De vrouw antwoordde: "Ik heb geen man." Jezus zei tegen haar: "Terecht zeg je: 'Ik heb geen man,'
18
want je hebt vijf mannen gehad, en de man met wie je nu leeft is je man niet. Het is dus waar wat je zegt."
19
Daarop zei de vrouw: "Heer, ik zie dat U een profeet bent.
20
Onze voorvaders hebben hier op deze berg aanbeden, maar jullie zeggen dat Jeruzalem de plaats is waar men aanbidden moet."
21
Jezus zei: "Geloof Mij, vrouw, er komt een tijd dat jullie de Vader niet meer op deze berg of in Jeruzalem zullen aanbidden.
22
Jullie aanbidden zonder te kennen, wij aanbidden wat we kennen; de redding komt immers uit de Joden voort.
23
Maar er komt een tijd, en die is zelfs al aangebroken, dat ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en in waarheid. Want de Vader zoekt mensen die Hem zo aanbidden.
24
God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid."
25
De vrouw zei tegen Hem: "Ik weet dat de Messias komt" – Hij wordt ook de Christus genoemd – "en wanneer Hij gekomen is, zal Hij ons alles bekendmaken."
26
Jezus antwoordde: "IK BEN dat, Ik die nu met jou spreek."
27
Op dat moment kwamen zijn leerlingen terug en ze verbaasden zich erover dat Hij met een vrouw in gesprek was. Toch zei geen van hen: 'Wat wilt U van haar?' of 'Waarom spreekt U met haar?'
28
De vrouw liet haar waterkruik staan, ging naar de stad en zei daar tegen de mensen:
29
"Kom mee, er is een Man die mij vertelde wat ik allemaal heb gedaan. Dat moet toch wel de Christus zijn?"
30
En de hele stad liep naar Hem uit.
31
Intussen drongen zijn leerlingen bij Hem aan: "Rabbi, eet toch iets."
32
Maar Hij antwoordde: "Ik heb voedsel te eten waar jullie niets van weten."
33
Daarop zeiden de leerlingen tegen elkaar: "Heeft iemand Hem dan iets te eten gebracht?"
34
Jezus zei tegen hen: "Mijn voedsel is de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en te doen wat Hij Mij heeft opgedragen.
35
Jullie zeggen toch: 'Nog vier maanden, dan komt de oogst'? Ik zeg jullie: kijk om je heen, dan zie je dat de akkers wit zijn, rijp voor de oogst.
36
De maaier krijgt zijn loon al en verzamelt vruchten voor het eeuwige leven, zodat zaaier en maaier zich tegelijk zullen verheugen.
37
Want het spreekwoord klopt: 'De een zaait, de ander maait.'
38
Ik stuur jullie uit om een oogst binnen te halen waar jullie geen inspanning voor verricht hebben. Dat hebben anderen gedaan, en jullie maken hun werk af."
39
Een groot aantal Samaritanen uit die stad geloofde in Hem vanwege de woorden van de vrouw die van Hem zei: 'Hij heeft mij alles gezegd wat ik gedaan heb.'
40
Toen de Samaritanen bij Hem gekomen waren, vroegen ze Hem bij hen te blijven. Hij bleef er twee dagen.
41
Er gingen nog veel meer mensen in Hem geloven, vanwege zijn woorden.
42
Ze zeiden tegen de vrouw: "We geloven nu niet meer in Hem om wat jij hebt gezegd, want we hebben Hem nu zelf gehoord en we weten dat Hij werkelijk de Christus is, de Redder van de wereld."
43
Na die twee dagen vertrok Jezus daar en ging naar Galilea.
44
(Nu had Hij Zelf gezegd dat een profeet in zijn eigen vaderstad niet erkend wordt.)
45
Toen Hij in Galilea kwam, bleek Hij welkom te zijn bij de Galileërs, vanwege alle dingen die ze Hem op het feest in Jeruzalem hadden zien doen. Ze waren immers zelf ook naar het feest geweest.
46
Zo kwam Jezus in Galilea ook weer in Kana, waar Hij het water veranderd had in wijn. In Kapernaüm woonde een hofdienaar van de koning. Zijn zoon was ziek,
47
en toen de hofdienaar hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea was gekomen, ging hij naar Hem toe. Hij smeekte Hem mee te komen en zijn zoon te genezen, want deze lag op sterven.
48
Jezus zei tegen hem: "Als jullie geen tekenen en wonderen zien, willen jullie niet geloven!"
49
De hofdienaar zei tegen Hem: "Heer, kom alstublieft mee, voordat mijn kind sterft!"
50
Jezus zei tegen hem: "Ga naar huis, je zoon leeft!" De man geloofde Jezus op zijn woord en ging naar huis.
51
Toen hij nog onderweg was, kwamen zijn dienaren hem tegemoet met het bericht: "Uw kind leeft!"
52
Op zijn vraag hoe laat zijn herstel was begonnen, antwoordden zij: "Gistermiddag rond het zevende uur verdween de koorts."
53
De vader wist dat dit precies het tijdstip was waarop Jezus tegen hem gezegd had: 'Je zoon leeft.' En hijzelf en iedereen in zijn huis kwamen tot geloof.
54
Dit tweede wonderteken deed Jezus toen Hij uit Judea was teruggekeerd in Galilea.
← Chapter 3
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 5 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21