bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
/
Luke 9
Luke 9
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
← Chapter 8
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 10 →
1
En Jezus riep zijn twaalf leerlingen bij Zich en gaf hun de macht en het gezag over alle demonen en om ziekten te genezen.
2
Daarna zond Hij hen uit om het Koninkrijk van God te gaan verkondigen en de zieken te genezen.
3
Hij zei tegen hen: "Neem niets mee voor onderweg: geen staf, geen reistas, geen brood, geen geld, ook geen extra kleren.
4
Wanneer je ergens onderdak hebt gekregen, blijf daar dan tot je uit die plaats vertrekt.
5
Als de mensen je niet willen ontvangen, klop dan bij het verlaten van die plaats zelfs het stof van je voeten af, als aanklacht tegen hen."
6
Ze gingen op weg, trokken van dorp naar dorp en overal verkondigden ze het goede nieuws en genazen ze de zieken.
7
De viervorst Herodes hoorde wat Jezus allemaal deed en wist niet wat hij ervan moest denken, omdat sommigen zeiden dat Johannes de Doper uit de dood was opgestaan,
8
terwijl anderen zeiden dat Elia verschenen was, en weer anderen dat een van de profeten van vroeger uit de dood was opgestaan.
9
Herodes zei: "Johannes heb ik laten onthoofden. Wie is dan die Man toch over wie ik zulke dingen hoor?" En hij probeerde Hem te zien te krijgen.
10
Toen de apostelen terugkeerden, vertelden ze Jezus alles wat ze hadden gedaan. Hij nam hen mee naar een eenzame plek bij de stad Betsaïda.
11
Maar de menigte kwam het te weten en volgde Hem. Hij ontving hen, vertelde hun over het Koninkrijk van God, en wie genezing nodig hadden maakte Hij gezond.
12
Toen de dag ten einde liep, gingen de twaalf naar Jezus en zeiden tegen Hem: "Stuur de mensen toch weg, dan kunnen ze naar de dorpen en boerderijen in de omgeving gaan om onderdak te zoeken en iets te eten, want dit is een eenzame streek."
13
Maar Hij zei tegen hen: "Geven jullie hun maar te eten." Ze antwoordden: "We hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen, tenzij we voor al die mensen eten gaan kopen."
14
Want er waren ongeveer vijfduizend mensen. Hij zei echter tegen zijn leerlingen: "Zeg hun dat ze in groepen van ongeveer vijftig man moeten gaan zitten."
15
Dat deden ze en zorgden dat iedereen ging zitten.
16
Jezus nam de vijf broden en de twee vissen, keek op naar de hemel, sprak er een zegen over uit, brak ze en liet ze door de leerlingen uitdelen aan de menigte.
17
De mensen aten tot ze verzadigd waren. Vervolgens werden de overgebleven brokken verzameld: twaalf manden vol.
18
Op een keer dat Jezus aan het bidden was en alleen zijn leerlingen bij Hem waren, vroeg Hij hun: "Wat zeggen de mensen over Mij? Wie ben Ik volgens hen?"
19
Ze antwoordden: "Johannes de Doper, anderen: Elia, en weer anderen: een van de profeten van vroeger die uit de dood is opgestaan."
20
Hij zei tegen hen: "En jullie? Wie ben Ik volgens jullie?" Petrus antwoordde: "De Christus van God."
21
En Hij gebood hun met klem dit tegen niemand te zeggen.
22
En Hij zei: "De Mensenzoon zal veel moeten lijden en zal verworpen worden door de oudsten, de opperpriesters en de schriftgeleerden. Hij zal gedood worden, maar op de derde dag zal Hij uit de dood worden opgewekt."
23
Jezus zei tegen hen allemaal: "Als iemand achter Mij aan wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, dagelijks zijn kruis opnemen en Mij volgen.
24
Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen; maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal zijn leven redden.
25
Want wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld zou verkrijgen, maar zichzelf verliest of schade toebrengt?
26
Want als iemand niets van Mij en mijn woorden wil weten, zal de Mensenzoon niets van hém willen weten wanneer Hij komt, bekleed met de heerlijkheid van Zichzelf en van de Vader en van de heilige engelen.
27
En Ik verzeker jullie dat enkelen van degenen die hier staan niet zullen sterven voordat ze het Koninkrijk van God hebben gezien."
28
Ongeveer acht dagen na deze woorden nam Hij Petrus, Johannes en Jakobus mee de berg op om te bidden.
29
En terwijl Hij bad, veranderde zijn gezicht van aanzien en werden zijn kleren stralend wit.
30
Opeens waren er twee mannen die met Hem spraken. Het waren Mozes en Elia.
31
Ze waren in heerlijkheid verschenen en spraken met Hem over zijn heengaan dat Hij binnenkort zou volbrengen in Jeruzalem.
32
Petrus en de twee anderen waren in slaap gevallen, en toen ze wakker werden, zagen ze zijn heerlijkheid en de twee mannen die bij Hem stonden.
33
Toen Mozes en Elia afscheid namen van Jezus, zei Petrus tegen Jezus: "Meester, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie tenten opzetten: een voor U, een voor Mozes en een voor Elia." Hij wist niet wat hij zei.
34
Terwijl hij nog sprak verscheen er een wolk boven hen, die hen overschaduwde. Ze werden vreselijk bang toen deze wolk hen omhulde.
35
En er klonk een stem uit de wolk: "Dit is mijn geliefde Zoon. Luister naar Hem."
36
Toen de stem was uitgesproken, was alleen Jezus daar nog. De leerlingen zwegen over het gebeurde en vertelden in die tijd aan niemand iets van wat ze hadden gezien.
37
Toen ze de volgende dag de berg afdaalden, kwam een grote menigte Hem tegemoet.
38
Een man uit de menigte riep: "Meester, ik smeek U mijn zoon te helpen, want hij is mijn enige kind.
39
Steeds opnieuw wordt hij door een geest overweldigd. Dan begint hij te schreeuwen en te stuiptrekken met het schuim op de mond. De geest wil hem haast niet meer loslaten en verplettert hem bijna.
40
Ik heb uw leerlingen gesmeekt om die geest bij hem uit te drijven, maar ze konden het niet."
41
Jezus zei tegen hen: "Ongelovig en verdorven geslacht! Hoelang moet Ik nog bij jullie zijn en jullie nog verdragen? Breng je zoon hier."
42
Op het moment dat hij bij Jezus kwam, gooide de demon de jongen tegen de grond en deed hem stuiptrekken. Maar Jezus bestrafte de onreine geest, genas de jongen en gaf hem aan zijn vader terug.
43
Iedereen was verbijsterd over de grootheid van God. En terwijl iedereen zich verwonderde over alles wat Jezus deed, zei Hij tegen zijn leerlingen:
44
"Knoop de volgende woorden goed in je oren: de Mensenzoon zal binnenkort aan de mensen overgeleverd worden."
45
Ze begrepen echter niet wat Hij zei. De betekenis ervan bleef voor hen verborgen, zodat ze het niet begrepen, maar ze durfden Hem er niet naar te vragen.
46
De leerlingen kregen er onderling woorden over wie van hen wel de belangrijkste zou zijn.
47
Maar Jezus wist wat ze dachten en nam een kind, plaatste het naast Zich en zei tegen hen:
48
"Wie dit kind ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft. Want wie onder jullie allen de minste is, zal groot zijn."
49
Johannes antwoordde: "Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdrijft. We hebben het hem verboden, omdat hij U niet samen met ons volgt."
50
Jezus zei tegen hem: "Verbied het hem niet, want wie niet tegen ons is, is voor ons."
51
Toen bijna de tijd gekomen was dat Jezus [in de hemel] opgenomen zou worden, ging Hij vastberaden op weg naar Jeruzalem.
52
Hij stuurde boden voor Zich uit. Ze kwamen in een Samaritaans dorp om daar onderdak voor Hem te zoeken.
53
De mensen wilden Hem echter niet ontvangen, omdat zijn doel Jeruzalem was.
54
Toen zijn leerlingen Jakobus en Johannes dat merkten, zeiden ze: "Heer, wilt U dat we net als de profeet Elia bevelen dat er vuur uit de hemel komt om hen te verbranden?"
55
Maar Jezus draaide Zich om en zei bestraffend: "Jullie beseffen niet vanuit wat voor geest jullie spreken.
56
De Mensenzoon is niet gekomen om mensenlevens te vernietigen, maar om ze te redden." En ze gingen naar een ander dorp.
57
Onderweg zei iemand tegen Jezus: "Heer, ik zal U volgen, waar U ook heen gaat."
58
Jezus zei tegen hem: "Vossen hebben een hol en vogels hebben een nest, maar de Mensenzoon heeft geen plek om zijn hoofd neer te leggen."
59
Tegen iemand anders zei Hij: "Volg Mij." Maar hij antwoordde: "Heer, sta mij toe terug te gaan en eerst mijn vader te begraven."
60
Jezus antwoordde: "Laat het aan de doden over om hun doden te begraven, maar ga jij op weg om het Koninkrijk van God bekend te maken."
61
Weer iemand anders zei: "Heer, ik zal U volgen, maar sta mij toe eerst afscheid te nemen van mijn familie."
62
Maar Jezus zei tegen hem: "Wie gaat ploegen maar achterom blijft kijken, is niet geschikt voor het Koninkrijk van God."
← Chapter 8
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 10 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24