bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
/
Matthew 16
Matthew 16
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
← Chapter 15
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 17 →
1
Er kwamen Farizeeërs en Sadduceeërs naar Jezus toe om Hem uit te dagen, en ze vroegen Hem hun een teken uit de hemel te laten zien.
2
Maar Hij antwoordde: "Wanneer het avond wordt, zeggen jullie: 'Morgen mooi weer, want de hemel kleurt rood.'
3
En 's morgens zeggen jullie: 'Slecht weer vandaag, want de hemel kleurt donkerrood.' Huichelaars, de aanblik van de hemel weten jullie goed te duiden, maar de tekenen van de tijd niet?
4
Een verdorven en ontrouw geslacht vraagt om een teken, maar het zal geen ander teken krijgen dan het teken van de profeet Jona." En Hij liep bij hen weg en vertrok.
5
Daarna voeren de leerlingen naar de overkant, maar ze hadden vergeten brood mee te nemen.
6
Jezus zei tegen hen: "Kijk goed uit voor de zuurdesem van de Farizeeërs en Sadduceeërs."
7
Ze hadden het er met elkaar over en zeiden: "Dat zegt Hij omdat we geen brood meegenomen hebben."
8
Jezus wist dat en zei: "Waarom hebben jullie het er met elkaar over dat jullie geen brood hebben meegenomen, kleingelovigen?
9
Begrijpen jullie het dan nog niet? Weten jullie niet meer van de vijf broden bij de vijfduizend man, en hoeveel manden vol brood jullie opgehaald hebben?
10
En zijn jullie ook de zeven broden bij de vierduizend man vergeten, en hoeveel korven vol brood jullie ophaalden?
11
Waarom begrijpen jullie niet dat Ik het niet over brood had, toen Ik zei dat jullie moeten uitkijken voor de zuurdesem van de Farizeeërs en de Sadduceeërs?"
12
Toen begrepen ze dat Hij niet bedoelde dat ze moesten uitkijken voor de zuurdesem van het brood, maar voor het onderricht van de Farizeeërs en de Sadduceeërs.
13
Toen Jezus in de streek van Cesarea Filippi gekomen was, vroeg Hij zijn leerlingen: "Wat zeggen de mensen over Mij, de Mensenzoon? Wie ben Ik volgens hen?"
14
Ze antwoordden: "Sommigen zeggen: Johannes de Doper, anderen: Elia, weer anderen: Jeremia of een van de profeten."
15
Hij vroeg hen: "En jullie? Wie ben Ik volgens jullie?"
16
Simon Petrus antwoordde: "U bent de Christus, de Zoon van de levende God."
17
Jezus antwoordde: "Simon, zoon van Jona, je bent gezegend! Want dat is jou niet onthuld door vlees en bloed, maar door mijn Vader in de hemel.
18
Ik zeg je ook dat jij Petrus bent. Op deze rots zal Ik mijn gemeente bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen de gemeente niet kunnen overmeesteren.
19
Ik zal je de sleutels van het Koninkrijk van de hemel geven. Alles wat je op de aarde bindt, zal gebonden zijn in de hemel; en alles wat je op aarde ontbindt, zal ontbonden zijn in de hemel."
20
En Hij verbood zijn leerlingen ook maar tegen iemand te zeggen dat Hij, Jezus, de Christus was.
21
Vanaf dat moment begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan, dat Hij veel zou moeten lijden door de oudsten, de opperpriesters en de schriftgeleerden, dat Hij gedood moest worden en dat Hij op de derde dag tot leven gewekt zou worden.
22
Daarop nam Petrus Hem apart en begon Hem terecht te wijzen: "Heer, laat God dat voorkomen! Dat mag niet gebeuren!"
23
Maar Jezus keerde Zich van hem af en zei tegen Petrus: "Ga weg achter Mij, satan, je wilt Mij ten val brengen! Jij bent niet uit op de dingen van God, maar op die van de mensen."
24
Daarna zei Jezus tegen zijn leerlingen: "Als iemand achter Mij aan wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen.
25
Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het leven vinden.
26
Want wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld zou verkrijgen, maar zijn leven verliest? En wat kan een mens geven in ruil voor zijn leven?
27
Want de Mensenzoon zal bekleed met de heerlijkheid van zijn Vader komen, met zijn engelen. Dan zal Hij ieder mens geven wat hem toekomt voor zijn daden.
28
Ik verzeker jullie dat enkelen van jullie die hier staan niet zullen sterven voordat ze de Mensenzoon in zijn koninklijke waardigheid hebben zien komen."
← Chapter 15
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 17 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28