bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
/
Numbers 14
Numbers 14
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
← Chapter 13
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 15 →
1
Toen barstte de hele gemeenschap in huilen uit en het volk jammerde die hele nacht.
2
De Israëlieten klaagden opstandig tegen Mozes en Aäron en de hele menigte riep tegen hen: "Waren we maar in Egypte gestorven! Of waren we maar omgekomen in deze woestijn!
3
Waarom brengt de Heer*** ons naar dit land waar we zullen vallen door het zwaard en waar onze vrouwen en kinderen buitgemaakt zullen worden? Kunnen we niet veel beter naar Egypte teruggaan?"
4
En ze zeiden tegen elkaar: "Laten we een leider aanstellen en teruggaan naar Egypte!"
5
Toen wierpen Mozes en Aäron zich neer, voor de ogen van de bijeengekomen gemeenschap van de Israëlieten.
6
Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, twee van de verkenners, scheurden hun kleren
7
en zeiden tegen de hele menigte Israëlieten: "Het land dat wij verkend hebben is werkelijk een prachtig land!
8
Als de Heer*** ons goedgezind is, zal Hij ons er binnenbrengen en ons dat land geven dat overvloeit van melk en honing.
9
Maar dan moeten jullie niet opstandig zijn tegen de Heer*** en niet bang zijn voor het volk dat daar woont. We kunnen hen met gemak aan! Want zij hebben niemand die hen nog beschermt, maar met ons is de Heer***. Wees toch niet bang voor hen!"
10
Maar hele menigte dreigde hen te zullen stenigen. Toen verscheen de heerlijkheid van de Heer*** in de tent van ontmoeting, voor de ogen van alle Israëlieten.
11
En de Heer*** zei tegen Mozes: "Hoelang zal dit volk Mij nog verwerpen? Hoelang zullen ze nog weigeren Mij te vertrouwen, ondanks alle tekenen die Ik onder hen heb gedaan?
12
Ik zal het treffen met de pest en het verstoten. En jou zal Ik tot een groot volk maken, groter en machtiger dan dit volk."
13
Toen antwoordde Mozes de Heer***: "Maar dat zullen de Egyptenaren horen, bij wie U dit volk door uw grote kracht hebt weggeleid.
14
Dan zullen zij het vertellen aan de inwoners van dit land, die gehoord hebben dat U, Heer***, te midden van dit volk bent en dat U, Heer***, heel persoonlijk met dit volk omgaat, dat uw wolk boven hen is, dat U overdag in een wolkkolom voor hen uit gaat en 's nachts in een vuurkolom.
15
Als U dit volk nu tot de laatste man doodt, zullen de volken die van U hebben gehoord zeggen:
16
'Omdat de Heer*** dit volk niet in het land kon brengen dat Hij onder ede aan hen had beloofd, heeft Hij hen in de woestijn afgeslacht.'
17
Heer***, toon alstublieft uw grote kracht. U hebt immers Zelf gezegd:
18
'De Heer*** is geduldig en zeer liefdevol, Hij vergeeft zonde en overtreding, maar laat schuldigen niet vrijuit gaan: van de zonden van ouders moeten ook hun kinderen de gevolgen dragen, tot in de derde en vierde generatie.'
19
Maar vergeef alstublieft het kwaad dat dit volk gedaan heeft, vanwege uw grote barmhartigheid, zoals U het volk aldoor al vergeven hebt vanaf Egypte tot hier toe."
20
De Heer*** zei: "Op jouw verzoek vergeef Ik hun.
21
Maar zo waar Ik leef en de hele aarde vervuld is van de heerlijkheid van de Heer***:
22
geen van de mannen die mijn heerlijkheid hebben gezien en de tekenen die Ik in Egypte en in de woestijn heb gedaan, en die Mij nu al tien keer hebben uitgedaagd en niet naar Mij geluisterd hebben,
23
geen van hen zal het land te zien krijgen dat Ik onder ede aan hun voorvaders heb beloofd, nee, niemand van degenen die Mij verworpen hebben zal dat land zien.
24
Maar omdat mijn dienaar Kaleb anders van geest is en Mij volledig trouw gebleven is, zal Ik hem naar het land brengen waar hij is geweest en zijn nakomelingen zullen het land bezitten.
25
De Amalekieten en de Kanaänieten wonen in de Vlakte. Keer daarom morgen om en trek de woestijn in, in de richting van de Rietzee."
26
Daarna zei de Heer*** tegen Mozes en Aäron:
27
"Hoelang moet Ik nog bij deze verdorven gemeenschap blijven die aldoor opstandig tegen Mij klaagt? Voortdurend moet Ik het opstandige geklaag van de Israëlieten aanhoren.
28
Zeg daarom tegen hen: Zo waar Ik leef, zegt de Heer***, Ik zal met jullie doen wat Ik jullie zelf heb horen zeggen!
29
In deze woestijn zullen jullie lijken komen te liggen, het volledige aantal getelden, allen van 20 jaar en ouder, die opstandig tegen Mij hebben geklaagd.
30
Jullie zullen beslist niet in het land komen waarvan Ik gezworen had dat Ik jullie daarin zou laten wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.
31
En jullie kinderen, van wie jullie hebben gezegd dat ze buitgemaakt zouden worden, die zal Ik er brengen. Zij zullen het land leren kennen dat jullie minachtend hebben afgewezen.
32
Maar wat jullie betreft: jullie lijken zullen in deze woestijn komen te liggen.
33
En jullie kinderen zullen 40 jaar in deze woestijn rondtrekken, ten gevolge van jullie ontrouw, totdat jullie lijken in deze woestijn zijn komen te liggen.
34
Overeenkomstig het aantal dagen dat jullie het land hebben verkend, 40 dagen, zullen jullie 40 jaar, voor elke dag één jaar, de gevolgen van jullie zonde moeten dragen. Jullie zullen weten wat het is als Ik Mij tegen jullie keer.
35
Ik, de Heer***, heb gesproken. Ik zweer dat dit is wat Ik ga doen met dit verdorven volk dat tegen Mij samenspant. In deze woestijn zullen ze hun einde vinden, hier zullen ze sterven."
36
En de mannen die er door Mozes op uit waren gestuurd om het land te verkennen en die bij terugkomst de hele gemeenschap opstandig hadden gemaakt met hun ongunstige praatjes over het land
37
en het land in een kwaad daglicht hadden gesteld, stierven door een plaag, in de tegenwoordigheid van de Heer***.
38
Van de verkenners bleven alleen Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, in leven.
39
Mozes bracht al deze woorden aan de Israëlieten over. Toen was het volk diepbedroefd.
40
De volgende morgen maakten ze zich klaar om het bergland in te trekken en zeiden: "Hier zijn we, we zullen optrekken naar de plaats waarover de Heer*** gesproken heeft. We beseffen dat we gezondigd hebben."
41
Maar Mozes zei: "Waarom gehoorzamen jullie het bevel van de Heer*** niet? Dat zal niet goed aflopen.
42
Ga niet, want de Heer*** gaat niet met jullie mee. Als jullie toch gaan, zullen jullie door je vijanden worden verslagen.
43
Jullie komen tegenover de Amalekieten en de Kanaänieten te staan, en jullie zullen geveld worden door het zwaard. Want omdat jullie de Heer*** de rug toegekeerd hebben, zal de Heer*** niet met jullie zijn."
44
Toch probeerden ze overmoedig het bergland binnen te trekken. De ark van het verbond van de Heer*** en Mozes verlieten het kamp echter niet.
45
Toen kwamen de Amalekieten en de Kanaänieten die daar in het bergland woonden en versloegen hen volkomen, tot Horma toe.
← Chapter 13
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 15 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36