bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2007 (HTB)
/
Proverbs 29
Proverbs 29
Dutch 2007 (HTB)
← Chapter 28
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 30 →
1
Een man die (ondanks veelvuldige waarschuwingen) weigert zijn leven te beteren, komt onverwacht ten val.
2
Wanneer de rechtvaardigen aan de macht komen, voelt het volk zich tevreden; maar onder het bewind van een goddeloze wordt het volk verdrukt.
3
Een vader is blij met een verstandige zoon, maar een hoerenloper jaagt zijn geld erdoor.
4
Een koning houdt zijn land gezond door rechtvaardig te regeren; maar een corrupte koning leidt zijn land naar de ondergang.
5
Een man, die zijn naaste stroop om de mond smeert, misleidt hem.
6
Een boosdoener zit gevangen in zijn eigen kwaad; maar de rechtvaardige leeft blij en zingt van vreugde.
7
Een rechtvaardige rechter spant zich in voor de armen; de goddeloze beseft echter niet dat hij de arme moet helpen.
8
Spotters zijn een schandvlek en een gevaar voor een stad; wijze mensen weten Gods toorn echter af te wenden.
9
Het is zinloos als een verstandig mens een dwaas voor de rechter sleept. Of hij nu vriendelijk is of kwaad, de dwaas is toch niet tot rede te brengen.
10
Bloeddorstige lieden hebben een hekel aan eerlijke mensen, maar oprechten trachten hun leven te redden.
11
Een dwaas schreeuwt van woede; een verstandig mens beheerst zich en komt tot rust.
12
Een leider, die naar leugens luistert, heeft goddeloze dienaars.
13
De overeenkomst tussen een arm mens en een machthebber is dat beiden van God het licht in de ogen hebben gekregen.
14
Een koning, die de rechten van de arme serieus neemt, is zeker van zijn macht.
15
Straf en berisping leiden tot wijsheid; maar een kind dat aan zichzelf wordt overgelaten, wordt een schande voor zijn ouders.
16
Groeit het aantal goddelozen, dan neemt ook de zonde toe; maar de rechtvaardigen zullen hen overleven.
17
Als u uw zoon bestraft, komt hij goed terecht; hij zal u reden tot blijdschap geven.
18
Als het volk Gods boodschap niet meer hoort, raakt het uit de koers; gelukkig is hij, die naar Gods wet leeft.
19
Een knecht luistert nauwelijks naar berisping; hij hoort u wel, maar trekt zich er niets van aan.
20
Kent u iemand, die onbezonnen spreekt? Zo'n man is nog dommer dan een dwaas.
21
Als u te goed bent voor een knecht, denkt hij tenslotte dat hij dezelfde rechten heeft als uw zoon.
22
Iemand die snel kwaad wordt, lokt ruzie uit en een opvliegend mens zondigt maar al te gemakkelijk.
23
Hoogmoed komt voor de val, maar een nederig mens wordt gewaardeerd.
24
Wie met een dief de buit deelt, schaadt zichzelf; hetzelfde geldt voor iemand die een vloek hoort en daar niets van zegt.
25
Angst voor mensen is een valstrik, maar wie op God vertrouwt, is onaantastbaar.
26
Veel mensen verwachten hun heil van hooggeplaatsten, maar de HERE heeft het laatste woord.
27
Een oprecht mens verafschuwt een boosdoener; op zijn beurt heeft de boosdoener een afkeer van mensen, die eerlijk leven.
← Chapter 28
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 30 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31