bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
/
Deuteronomy 20
Deuteronomy 20
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
← Chapter 19
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 21 →
1
“Wanneer je ten strijde trekt tegen je vijanden en je ziet paarden en wagens, een volk talrijker dan je zelf, dan zul je niet bang voor hen zijn, want de HEERE, je GOD, die je uit het land Egypte heeft geleid, is met je.
2
Als jullie het slagveld naderen, dan zal de priester naar voren komen en tot het volk spreken
3
en tegen hen zeggen: ‘Luister, Israël, jullie staan deze dag vlak voor de strijd tegen jullie vijanden. Wees niet lafhartig, wees niet bang, beef en sidder niet voor hen,
4
want de HEERE, jullie GOD, Hij gaat met jullie mee om voor jullie tegen jullie vijanden te strijden om jullie te redden.’
5
En de opzieners zullen tot het volk spreken en zeggen: ‘Is er iemand die een nieuw huis heeft gebouwd, maar het nog niet in gebruik heeft genomen? Laat hij heengaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd sterft en iemand anders het in gebruik neemt.
6
Is er iemand die een wijngaard geplant heeft en nog niet de vrucht ervan genoten heeft? Laat hij heengaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd sterft en iemand anders ervan genieten zal.
7
Is er iemand die met een vrouw ondertrouwd is en haar nog niet tot zich genomen heeft? Laat hij heengaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd sterft en een andere man haar tot zich neemt.’
8
De opzieners zullen verder tot het volk spreken en zeggen: ‘Is er iemand die bang of lafhartig is? Laat hij heengaan en naar zijn huis terugkeren, opdat het hart van zijn broeders niet smelt zoals zijn hart.’
9
Wanneer de opzieners hun toespraak tot het volk beëindigd hebben, zullen zij legerbevelhebbers aan het hoofd van het volk aanstellen.
10
Wanneer je een stad nadert om ertegen te strijden, zul je haar oproepen zich vreedzaam te onderwerpen.
11
Als zij je vrede saanbod beantwoordt en voor je opendoet, dan zal heel het volk, dat daarin wordt aangetroffen, verplicht zijn om diensten voor je te verrichten en je dienen.
12
Als zij geen vrede met je sluit, maar de strijd met je aangaat, zul je haar belegeren.
13
De HEERE, je GOD, zal haar in je handen geven en alles wat daarin van het mannelijk geslacht is, zul je slaan met de scherpte van het zwaard.
14
Alleen de vrouwen en de kinderen, het vee en alles wat er verder in de stad is, de hele buit ervan zul je voor je zelf als buit nemen en je zult eten van de buit van je vijanden, die de HEERE, je GOD, jou gegeven heeft.
15
Zo zul je doen met alle steden die heel ver bij je vandaan zijn, die niet bij de steden van deze volken hier horen.
16
Maar van de steden van deze volken die de HEERE, je GOD, je als erfdeel in bezit geeft, zul je niets dat nog ademt in leven laten.
17
Je zult ze helemaal ter vernietiging afzonderen: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten, zoals de HEERE, je GOD, je geboden heeft,
18
opdat zij jullie niet zullen leren om al hun gruweldaden, die zij voor hun goden gedaan hebben, na te doen en jullie tegen de HEERE, jullie GOD, zouden zondigen.
19
Als je een stad dagenlang belegert terwijl je met haar strijdt om haar in te nemen, verniel dan niet de bomen ervan door de bijl erin te slaan, want je moet er immers van eten. Hak ze niet om. Lijkt de mens soms op een boom in het veld die bij de belegering voor je opduikt?
20
Alleen de boom waarvan je weet dat het geen boom is om van te eten, zul je vernielen en omhakken en er een belegeringswal mee opbouwen tegen de stad die oorlog tegen je voert, totdat je haar onderworpen hebt.”
← Chapter 19
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 21 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34