bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
/
Deuteronomy 21
Deuteronomy 21
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
← Chapter 20
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 22 →
1
“Wanneer er in het land, dat de HEERE, je GOD, je geven zal om het als erfdeel in bezit te nemen, iemand wordt aangetroffen die gedood is en in het veld neergevallen is en het is niet bekend wie hem heeft doodgeslagen,
2
dan zullen je oudsten en je rechters eropuit trekken om onmiddellijk de afstand op te meten tot de steden die om degene die gedood is heen liggen.
3
Van de stad die het dichtste bij de gedode ligt, daarvan zullen de oudsten een jonge koe van het rundvee nemen waarmee men nog geen werk heeft gedaan en die nog nooit in een juk heeft lopen trekken.
4
De oudsten van die stad zullen de jonge koe doen afdalen naar een altijd stromende beek, waar men de grond niet bewerkt en niet bezaaid, en zij zullen de jonge koe daar in de beek de nek breken.
5
Dan moeten de priesters, de zonen van Levi, naderen, want de HEERE, je GOD, heeft hen uitgekozen om Hem te dienen en om in de Naam van de HEERE te zegenen en op grond van hun woord zal elke onenigheid en elke aanslag worden berecht.
6
Alle oudsten van die stad, die het dichtst bij de gedode ligt, zullen hun handen wassen boven deze jonge koe, waarvan de nek in het beekdal gebroken is
7
en zij zullen duidelijk te kennen geven en zeggen: ‘Onze handen hebben dit bloed niet vergoten en onze ogen hebben het niet gezien.
8
Doe verzoening over uw volk Israël, dat U hebt vrijgekocht, o HEERE, en breng geen onschuldig bloed te midden van uw volk Israël!’ Dan zal het vergoten bloed voor hen verzoend zijn.
9
Zo zul je het onschuldig vergoten bloed uit je midden wegdoen, want je moet doen wat recht is in de ogen van de HEERE.
10
Wanneer je tegen je vijanden ten strijde bent getrokken en de HEERE, je GOD, heeft hen in je handen overgeleverd en je hebt hen in gevangenschap weggevoerd,
11
en je ziet onder de gevangenen een vrouw, mooi van gestalte, en je verlangt ernaar om haar voor je zelf tot vrouw te nemen
12
dan zul je haar in je huis brengen en zij zal haar hoofd kaalscheren en haar nagels knippen.
13
Zij zal het kleed van haar gevangenschap afleggen en in je huis zitten en haar vader en haar moeder een maand lang bewenen en daarna zul je bij haar komen en haar man zijn en zij zal jou tot vrouw zijn.
14
Wanneer ze je niet bevalt, dan zul je haar laten gaan waar zij zelf heen wil gaan, maar je mag haar beslist niet voor zilver geld verkopen. Je mag haar niet als koopwaar behandelen, want je hebt haar vernederd.
15
Wanneer een man twee vrouwen heeft, één van wie hij houdt en één die hij haat, en de geliefde en de gehate hebben zonen aan hem gebaard, maar de eerstgeboren zoon is van de gehate vrouw,
16
dan zal hij, op de dag dat hij aan zijn zonen de erfenis van zijn bezit toebedeelt, het eerstgeboorterecht niet aan de zoon van de geliefde mogen geven in plaats van aan de zoon van de gehate, die de eerstgeborene is.
17
Hij moet immers de eerstgeborene, de zoon van de gehate, erkennen door hem het dubbele deel van alles wat bij hem aangetroffen wordt te geven, want hij is de eerste van zijn mannelijke kracht, van hem is het eerstgeboorterecht.
18
Wanneer een man een koppige en weerspannige zoon heeft die geen gehoor geeft aan de stem van zijn vader en de stem van zijn moeder, en zij hebben hem aangepakt en toch luistert hij niet naar hen,
19
dan zullen zijn vader en moeder hem vastpakken en zij zullen hem naar buiten brengen naar de oudsten van zijn stad, bij de poort van zijn woon plaats.
20
Zij zullen tegen de oudsten van zijn stad zeggen: ‘Deze zoon van ons is koppig en weerspannig, hij geeft geen gehoor aan wat wij zeggen, hij is een verkwister en een dronkaard.’
21
Dan zullen alle mannen van zijn stad hem stenigen, opdat hij sterft. Je moet de boosdoener uit jullie midden wegdoen, opdat heel Israël het hoort en bevreesd zal zijn.
22
Als een man een zonde heeft begaan waarop de doodstraf staat en hij wordt ter dood gebracht en je hangt hem aan een houten paal,
23
dan zal zijn dode lichaam niet ’s nachts aan de paal blijven hangen, maar je moet het beslist op die zelfde dag begraven, want wie opgehangen is, is door GOD vervloekt. Je zult je grond die de HEERE, je GOD, je als erfdeel geeft, niet verontreinigen.”
← Chapter 20
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 22 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34