bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
/
Deuteronomy 24
Deuteronomy 24
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
← Chapter 23
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 25 →
1
“Wanneer een man een vrouw genomen heeft en met haar getrouwd is, en hij, als zij hem niet bevalt omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, een scheidbrief aan haar schrijft en die aan haar overhandigt en haar uit zijn huis wegstuurt,
2
en zij vervolgens uit zijn huis vertrokken is en heengegaan is en de vrouw van een andere man geworden is,
3
en de laatste man vervolgens een hekel aan haar krijgt en haar een scheidbrief schrijft en die aan haar overhandigt en haar vervolgens uit zijn huis wegstuurt, óf de laatste man, die haar als vrouw tot zich genomen heeft, sterft,
4
dan mag haar eerste man, die haar weggestuurd heeft, haar niet weer voor zich tot vrouw nemen, nadat zij verontreinigd werd, want dat is een gruwel voor het aangezicht van de HEERE. Zo mag je het land, dat de HEERE, je GOD, je als erfdeel geeft, niet bezoedelen.
5
Wanneer een man pas getrouwd is, zal hij niet met het leger mee uittrekken en men zal hem met geen enkele zaak belasten. Hij zal er één jaar uitsluitend voor zijn huis zijn en hij zal zijn vrouw, die hij tot zich genomen heeft, verblijden.
6
Je mag niet de beide molenstenen als onderpand nemen en ook niet de bewegende alleen, want dan zou het leven sonderhoud het onderpand zijn.
7
Wanneer een man wordt aangetroffen die iemand van zijn broeders, van de zonen van Israël, heeft ontvoerd en hem als slaaf behandeld en verkocht heeft, dan zal de ontvoerder sterven. Je moet het kwaad uit je midden wegdoen.
8
Zorg er bij de plaag van de melaatsheid voor dat je je stipt houdt aan en handelt overeenkomstig alle aanwijzingen van de Levitische priesters. Jullie moeten ervoor zorgen dat jullie alles doen zoals ik hun geboden heb.
9
Bedenk wat de HEERE, je GOD, onderweg met Mirjam heeft gedaan, toen jullie uit Egypte trokken.
10
Wanneer je iets aan je naaste geleend hebt, dan zul je zijn huis niet binnengaan om je van zijn onderpand te verzekeren.
11
Je zult buiten blijven staan en de man aan wie je geleend hebt, zal zelf het onderpand buiten bij je brengen.
12
Als het een arme man betreft zul je je niet gaan slapen in zijn onderpand.
13
Je moet hem dat pand bij zonsondergang beslist teruggeven, opdat hij in zijn kleed kan slapen en hij je zegenen zal. Het zal je tot gerechtigheid strekken voor het aangezicht van de HEERE, je GOD.
14
Je mag de behoeftige, arme dagloner onder je broeders of onder de vreemdeling en, die bij je in je land en binnen je poorten wonen, niet verdrukken.
15
Je moet hem dagelijks zijn loon geven. Omdat hij arm is en ernaar uitziet, mag de zon daar niet over opgaan, opdat hij niet om jou tot de HEERE zal roepen en er zonde op jou komt te rusten.
16
De vaders zullen niet om de zonen worden gedood en de zonen zullen niet om de vaders worden gedood. Ieder zal om zijn eigen zonde ter dood worden gebracht.
17
Je mag het recht van de vreemdeling of van de wees niet buigen en het kleed van de weduwe mag je niet als pand nemen.
18
Je zult bedenken dat je een slaaf in Egypte bent geweest en dat de HEERE, je GOD, je daaruit heeft vrijgekocht. Daarom gebied ik je dit te doen.
19
Wanneer je de oogst van je akker aan het maaien bent en je vergeet een schoof op de akker, dan zul je niet teruggaan om die mee te nemen. Hij zal voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zijn, opdat de HEERE, je GOD, je zegenen zal bij al het werk van je handen.
20
Wanneer je je olijfboom hebt afgeslagen, zul je geen aandacht meer schenken aan wat achterbleef. Het zal voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zijn.
21
Wanneer je je wijngaard hebt geplukt, zul je wat achterbleef niet alsnog plukken. Het zal voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zijn.
22
Je zult bedenken dat je slaaf geweest bent in het land Egypte. Daarom gebied ik je dit te doen.”
← Chapter 23
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 25 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34