bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
/
Genesis 16
Genesis 16
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
← Chapter 15
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 17 →
1
Sarai, de vrouw van Abram, baarde geen kinderen aan hem. Zij had een Egyptische slavin die Hagar heette.
2
Sarai zei tegen Abram: “Zie dan toch, de HEERE heeft mij verhinderd om te baren. Ga toch naar mijn slavin, misschien zal ik door haar kinderen krijgen.” En Abram luisterde naar Sarai.
3
Nadat Abram tien jaar in het land Kanaän gewoond had, nam Sarai, de vrouw van Abram, haar Egyptische slavin Hagar en gaf haar aan Abram, haar man, als vrouw voor hem.
4
Hij kwam bij Hagar en zij werd zwanger. Toen zij merkte, dat zij zwanger was, was haar meesteres verachtelijk in haar ogen.
5
Toen zei Sarai tegen Abram: “Door jou w toedoen wordt mij onrecht gedaan! Ik heb mijn slavin aan je toevertrouwd. Nu zij ziet, dat zij zwanger geworden is, ben ik verachtelijk in haar ogen. Laat de HEERE rechtspreken tussen jou en mij.”
6
Abram zei tegen Sarai: “Zie, je slavin is in je hand. Doe met haar, wat goed is in je ogen.” En Sarai vernederde haar en zij vluchtte van haar weg.
7
De engel van de HEERE trof haar aan bij een waterbron in de woestijn, bij de bron langs de weg naar Sur.
8
Hij zei: “Hagar, slavin van Sarai, waar kom je vandaan en waar ga je heen?” Zij zei: “Ik ben op de vlucht voor mijn meesteres Sarai!”
9
De engel van de HEERE zei tegen haar: “Ga terug naar je meesteres en verneder je onder haar hand.”
10
Ook zei de engel van de HEERE tegen haar: “Ik zal jouw zaad vermeerderen en nog eens vermeerderen, zodat het niet meer te tellen zal zijn, zo veel.”
11
Verder zei de engel van de HEERE tegen haar: “Zie, je bent zwanger en je zult een zoon baren. Je zult hem Ismaël noemen, want de HEERE heeft je ellende gehoord.
12
Hij zal een wilde ezel van een mens zijn. Zijn hand zal tegen allen zijn en de hand van allen zal tegen hem zijn. Hij zal tegenover al zijn broeders wonen.”
13
Zij riep de Naam van de HEERE aan, die tot haar sprak, en zij zei: “U bent de God die ziet!”, want, zei zij: “Heb ik hier dan niet uitgezien naar Hem, die mij ziet?”
14
Daarom noemde men die bron: de bron Lachai-Roï. Zie, hij is tussen Kades en Bered.
15
En Hagar baarde een zoon aan Abram. Abram noemde zijn zoon, die Hagar hem gebaard had, Ismaël.
16
Abram was zesentachtig jaar oud toen Hagar Ismaël aan Abram baarde.
← Chapter 15
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 17 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50