bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
/
Genesis 35
Genesis 35
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
← Chapter 34
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 36 →
1
Daarna zei GOD tegen Jakob: “Sta op, trek op naar Beth-El en ga daar wonen. Maak daar een altaar voor de God die aan je verscheen, toen je voor je broer Ezau vluchtte.”
2
Toen zei Jakob tegen zijn huis gezin en tegen allen die bij hem waren: “Doe de vreemde goden, die in jullie midden zijn, weg, reinig je en doe andere kleren aan.
3
Laten wij opstaan en optrekken naar Beth-El. Ik zal daar een altaar maken voor de God, die mij geantwoord heeft ten dage van mijn benauwdheid en die met mij geweest is op de weg die ik gegaan ben.”
4
Zij gaven Jakob alle vreemde goden, die zij bij zich hadden en de sieraden die in hun oren zaten en Jakob verborg ze onder de terpentijnboom bij Sichem.
5
Toen zij opbraken, viel de schrik van GOD op de hen omringende steden, zodat zij de zonen van Jakob niet durfden achtervolgen.
6
Zo kwam Jakob aan in Luz, in het land Kanaän, dat is Beth-El, hij en al het volk dat bij hem was.
7
Daar bouwde hij een altaar en hij noemde die plaats El-Beth-El, want GOD had zich daar aan hem geopenbaard, toen hij voor zijn broer vluchtte.
8
Debora, de voedster van Rebekka, stierf daar en zij werd ten zuiden van Beth-El begraven, onder de eikenboom. Hij noemde die ‘Allon-Bachut’, dat is ‘de eik van geween’.
9
GOD verscheen opnieuw aan Jakob toen hij uit Paddan-Aram terug kwam en Hij zegende hem.
10
GOD zei tegen hem: “Je naam is Jakob. Voortaan zul je niet meer Jakob genoemd worden, maar je naam zal Israël zijn.” En Hij noemde hem Israël.
11
GOD zei tegen hem: “Ik ben God de Almachtige! Wees vruchtbaar en vermeerder je! Een volk, ja, een gemeenschap van volken zal uit jou ontstaan en koningen zullen uit je lendenen voortkomen.
12
En dit land, dat Ik aan Abraham en Izak gegeven heb, geef ik aan jou en ook aan jouw nakomelingen na jou zal ik het land geven.”
13
Toen steeg GOD van hem op, van de plaats waar Hij met hem gesproken had.
14
Jakob richtte een gedenksteen op op de plaats waar Hij met hem gesproken had, een stenen gedenksteen. Daarover goot hij een plengoffer uit en goot er vervolgens olie over.
15
Jakob noemde de plaats waar GOD met hem gesproken had ‘Beth-El!”.
16
Zij braken vanuit Beth-El op en toen het nog maar een klein stukje naar Efratha was, baarde Rachel en de bevalling viel haar erg zwaar.
17
Toen zij het zo zwaar had bij de bevalling, zei de vroedvrouw tegen haar: “Wees niet bang, want ook deze zal je zoon zijn!”
18
Met dat ze de laatste adem uitblies, terwijl zij stierf, noemde zij hem Ben-Oni, maar zijn vader noemde hem Benjamin.
19
Zo stierf Rachel en zij werd begraven aan de weg naar Efratha, dat is Bethlehem.
20
Jakob richtte op haar graf een gedenksteen op. Dit is de gedenksteen van Rachels graf tot op deze dag.
21
Daarop brak Israël vandaar op en zette zijn tent op voorbij Migdal-Eder.
22
Toen Israël in dat land woonde, ging Ruben bij Bilha, de bijvrouw van zijn vader, liggen en Israël hoorde ervan. Er waren twaalf zonen van Jakob.
23
De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, Levi, Juda, Issaschar en Zebulon.
24
De zonen van Rachel waren: Jozef en Benjamin.
25
De zonen van Bilha, de slavin van Rachel, waren: Dan en Naftali.
26
De zonen van Zilpa, de slavin van Lea, waren: Gad en Aser. Dit zijn de zonen van Jakob, die aan hem geboren werden in Paddan-Aram.
27
Jakob kwam bij zijn vader Izak in Mamre, in de stad van Arba, dat is Hebron, waar vroeger Abraham als vreemdeling woonde en later Izak.
28
Izak leefde honderdtachtig jaar.
29
Izak gaf de geest en stierf en werd bij zijn voor geslacht gevoegd, oud en van het leven verzadigd, en zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem.
← Chapter 34
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 36 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50