bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
/
Judges 10
Judges 10
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
← Chapter 9
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 11 →
1
Na Abimelech stond Tola op om Israël te redden. Hij was de zoon van Pua, de zoon van Dodo, een man uit Issaschar, en hij woonde in Samir, in het bergland van Efraïm.
2
Hij richtte Israël drieëntwintig jaar lang. Toen stierf hij en hij werd begraven in Samir.
3
Na hem stond de Gileadiet Jaïr op. Hij richtte Israël tweeëntwintig jaar lang.
4
Hij had dertig zonen die op dertig ezels reden en dertig steden hadden. Tot op de dag van vandaag worden die ‘de dorpen van Jaïr’ genoemd. Ze liggen in het land van Gilead.
5
Jaïr stierf en werd begraven in Kamon.
6
De zonen van Israël gingen door met te doen wat kwaad is in de ogen van de HEERE. Zij dienden de Baäls en de Astartes en de goden van Aram en de goden van Sidon en de goden van Moab en de goden van de zonen van Ammon en ook de goden van de Filistijnen. Zij verlieten de HEERE en dienden Hem niet meer.
7
De toorn van de HEERE ontbrandde tegen Israël en Hij leverde hen over in hand en van de Filistijnen en in hand en van de zonen van Ammon.
8
In dat zelfde jaar teisterden en verpletterden zij de zonen van Israël. Zo deden zij achttien jaar lang met alle zonen van Israël die zich in het Overjordaanse bevonden, in het land van de Amoriet en dat in Gilead lag.
9
Ook staken de zonen van Ammon de Jordaan over om ook tegen Juda en Benjamin en tegen het huis van Efraïm te strijden, zodat Israël erg in het nauw kwam.
10
Toen riepen de zonen van Israël tot de HEERE en zeiden: “Wij hebben tegen U gezondigd, omdat wij onze GOD verlaten hebben en de Baäls zijn gaan dienen.”
11
Daarop zei de HEERE tegen de zonen van Israël: “Heb ik jullie niet uit de hand van de Egypte naren, de Amoriet en, de zonen van Ammon, de Filistijnen,
12
de Sidoniërs, de Amalek ieten en de Maon ieten die jullie verdrukten gered, toen jullie tot Mij riepen?
13
Toch hebben jullie Mij verlaten en jullie zijn andere goden gaan dienen. Daarom zal Ik jullie niet meer redden.
14
Ga weg, roep de goden aan die jullie zelf uitgekozen hebben. Laten die jullie redden in de tijd dat jullie in het nauw komen.
15
Maar de zonen van Israël zeiden tegen de HEERE: “Wij hebben gezondigd. Doet U maar alles met ons wat goed is in uw ogen, alleen doe ons op deze dag toch ontkomen!”
16
Zij deden de vreemde goden uit hun midden weg en dienden de HEERE. Toen kon zijn ziel de ellende van Israël niet langer verdragen.
17
De zonen van Ammon werden bijeengeroepen en zij sloegen hun kamp op in Gilead. De zonen van Israël kwamen ook bijeen en sloegen hun kamp op in Mizpa.
18
Toen zeiden het volk en de vorsten van Gilead tegen elkaar: “Wie is de man die de strijd met de zonen van Ammon zal beginnen? Hij zal het hoofd worden over alle inwoners van Gilead.”
← Chapter 9
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 11 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21