bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
/
Proverbs 31
Proverbs 31
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
← Chapter 30
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
1
De woorden van koning Lemuël, de koning van Massa, waarmee zijn moeder hem waarschuwde.
2
Wat, mijn zoon, wat, zoon van mijn schoot? Wat moet je doen, zoon van mijn geloften?
3
Geef je kracht niet aan de vrouwen, en je wegen niet aan vrouwen die koningen ten gronde richten.
4
Het past koningen niet, Lemuël, het past koningen niet om wijn te drinken, en machthebbers niet om naar sterkedrank te verlangen.
5
Anders zal hij gaan drinken en vergeten wat voorgeschreven is en de rechtszaak van allen die in ellende verkeren, zal hij verdraaien.
6
Geef sterkedrank aan wie verloren gaan, wijn aan wie bitter van ziel zijn.
7
Laat hem drinken en zijn armoede vergeten, laat hij niet meer denken aan al zijn zwoegen.
8
Open je mond voor een stomme, voor de rechtszaak van allen die aan hun lot zijn overgelaten.
9
Open je mond, oordeel rechtvaardig, verschaf recht aan de arme.
10
Alef. Wie zal een deugdelijke vrouw vinden?Haar waarde gaat die van koralen ver te boven.
11
Bet. Op haar vertrouwt het hart van haar man, het zal hem niet aan voordeel ontbreken.
12
Gimel. Zij doet hem goed en geen kwaad, alle dagen van haar leven.
13
Dalet. Zij zoekt wol en linnen en werkt ijverig met haar handen.
14
He. Zij is als de schepen van een koopman, zij laat haar voedsel uit verre streken komen.
15
Vav. Zij staat op als het nog nacht is, zij voorziet haar huis van voedsel, en geeft haar dienstmeisjes hun deel.
16
Zayin. Zij zint op een akker en verwerft die, van de opbrengst van haar handen plant zij een wijngaard.
17
Khet. Zij omgordt haar lendenen met kracht, zij maakt haar armen sterk.
18
Tet. Zij merkt dat haar handel goed loopt, haar lamp dooft ’s nachts niet uit.
19
Jod. Zij steekt haar handen uit naar de spinstok, haar handen houden de weefspoel vast.
20
Kaf. Zij opent haar hand voor de behoeftige, zij strekt haar handen uit naar de arme.
21
Lamed. Zij vreest de sneeuw niet voor haar huis, want heel haar huis is in scharlaken rood gekleed.
22
Mem. Zij maakt sierkussens voor zichzelf, haar kleren zijn van fijn linnen en purperrood garen.
23
Nun. Haar man is bekend in de poorten, als hij zitting houdt met de oudsten van het land.
24
Samech. Zij maakt kleren van linnen en verkoopt die, zij levert gordels aan de handelaar uit Kanaän.
25
ʿAyin. Zij gaat gekleed in kracht en pracht, opgewekt lachend gaat zij de komende dag tegemoet.
26
Pe. Zij opent haar mond met wijsheid, liefdevol onderwijs is op haar tong.
27
Tsade. Zij houdt toezicht op haar huishouding, brood van luiheid eet zij niet.
28
Qof. Haar zonen staan op en prijzen haar gelukkig, ook haar man prijst haar.
29
Resch. Vele vrouwen hebben machtige daden verricht, maar jij overtreft hen allen.
30
Sjin. Bevalligheid is bedrieglijk en schoonheid is vergankelijk, maar een vrouw die de HEERE vreest, dient geprezen worden.
31
Tav. Geef haar van de vrucht van haar handen, laten haar werken haar prijzen in de poorten.
← Chapter 30
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31