bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
/
Ezekiel 47
Ezekiel 47
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
← Chapter 46
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 48 →
1
Daarna bracht hij mij terug naar de ingang van het tempelhuis. En zie, plotseling zag ik dat er water opwelde vanonder de drempel, aan de oostzijde, want de voorzijde van het tempelhuis was op het oosten. Het water stroomde naar beneden, vanonder de rechterzijde van de tempel[muur] ten zuiden van het altaar.
2
En hij nam mij door de poorten aan de noordzijde mee naar buiten en bracht mij buitenom naar de buitenste poort aan de oostzijde. En zie, daar stroomde het water uit de rechterzijde [van de tempel].
3
De man liep naar het oosten met een meetsnoer in zijn hand en mat 1000 el af. Toen liet hij mij daar het water oversteken: het water kwam tot aan mijn enkels.
4
Toen mat hij weer 1000 el af en liet mij het water oversteken: het water kwam tot aan mijn knieën. Opnieuw mat hij 1000 el af en liet mij oversteken: het water kwam tot aan mijn middel.
5
Hij mat nog eens 1000 el. Nu was het water een beek geworden die ik niet meer lopend kon oversteken, omdat het water zo hoog kwam dat men er zwemmen moest. Het was een beek die men niet meer doorwaden kon.
6
Toen zei hij tegen mij: "Heb je het gezien, mensenzoon?" Daarna bracht hij mij terug naar de oever van de beek.
7
Toen ik terugkeerde, zag ik opeens dat er langs beide oevers van de beek zeer veel bomen stonden.
8
Hij zei tegen mij: "Dit water hier stroomt naar de landstreek in het oosten, daalt af naar de vlakte en bereikt daarna de zee. Wanneer het water de zee in stroomt, wordt het water van de zee gezond.
9
Het zal er wemelen van leven. Overal waar een van beide beken komt, zal leven zijn. Het water zal vol vis zijn, want waar dit water maar komt, wordt het water gezond. Overal waar deze beek komt, zal het vol leven zijn.
10
En er zullen vissers langs staan, vanaf En-Gedi tot aan En-Eglaïm. Overal zullen er droogplaatsen zijn voor hun netten. Er zullen grote aantallen van allerlei soorten vis zijn, net als in de grote zee.
11
Maar de moerassen en plassen langs de beek zullen niet gezond worden. Zij worden prijsgegeven aan het zout.
12
Langs de beek zullen op beide oevers allerlei vruchtbomen groeien waaraan het blad nooit verwelkt en de vrucht nooit ontbreekt. Elke maand zullen ze nieuwe vruchten voortbrengen, doordat het water van de beek uit het heiligdom stroomt. De vrucht zal tot voedsel dienen en de bladeren tot genezing."
13
"Dit zegt de Heer Heer***: Dit zullen de grenzen zijn waarbinnen jullie het land moeten verdelen in erfbezittingen voor de twaalf stammen van Israël, waarbij twee delen voor Jozef zijn.
14
Ieder van jullie moet zijn eigen gebied krijgen van het land, omdat Ik aan jullie voorvaders gezworen heb het hun te zullen geven. Zo zal dit land jullie erfbezit worden.
15
Dit zullen de grenzen van het land zijn: in het noorden vanaf de grote zee naar Hetlon,
16
van Hetlon, langs Zedad, Hamat, Berota en Sibraïm (tussen het gebied van Damaskus en het gebied van Hamat) naar Hazar-Hatikon, dat aan de grens van Hauran ligt.
17
Zo loopt de grens dus vanaf de zee langs Hazer-Enan – langs het gebied van Damaskus in het noorden – en van daar naar Hamat. Dit vormt de noordgrens.
18
In het oosten: van het gebied tussen Hauran en Damaskus, langs de Jordaan die tussen Gilead en Israël stroomt, tot aan de zee in het oosten. Dit vormt de oostgrens.
19
In het zuiden: zuidwaarts vanaf Tamar tot het water van Meriba bij Kades en dan langs de Beek [van Egypte] naar de grote zee. Dit vormt de zuidgrens, in het zuiden.
20
In het westen: de grote zee, tot aan Hamat. Dit vormt de westgrens.
21
Dit land moeten jullie verdelen onder de stammen van Israël.
22
Jullie moeten het door loting verdelen, als erfbezit voor jullie zelf en voor de vreemdelingen die onder jullie wonen en bij jullie een gezin gekregen hebben. Zij zullen dezelfde rechten hebben als geboren Israëlieten. Zij zullen met jullie een erfbezit krijgen te midden van de stammen van Israël.
23
Elke vreemdeling moet zijn erfbezit krijgen binnen het grondgebied van de stam waar hij woont, zegt de Heer Heer***."
← Chapter 46
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 48 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48