bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
/
Numbers 33
Numbers 33
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
← Chapter 32
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 34 →
1
Zo reisden de zonen van Israël, die uit het land Egypte waren wegtrokken, van plaats tot plaats, geordend naar hun leger afdelingen, door de hand van Mozes en Aäron.
2
Op bevel van de HEERE schreef Mozes hun vertrekplaatsen op met de bijbehorende reizen. Dit zijn de reizen met de bijbehorende vertrekplaatsen.
3
Zij braken van Rameses op in de eerste maand, op de vijftiende dag van de eerste maand. In de morgen direct na het Voorbijgaan soffer trokken de zonen van Israël door een opgeheven hand voor de ogen van alle Egyptenaren uit Egypte,
4
terwijl de Egyptenaren bezig waren om alle eerstgeborenen te begraven die de HEERE onder hen had geslagen. Ook had de HEERE aan hun goden oordelen voltrokken.
5
De zonen van Israël braken op van Rameses en sloegen hun kamp op in Sukkoth.
6
Van Sukkoth braken zij op en sloegen hun kamp op in Etham dat aan de rand van de woestijn ligt.
7
Van Etham braken zij op en keerden terug naar Pi-Hachiroth, dat tegenover Baäl-Sefon lag en zij sloegen hun kamp op in het zicht van Migdol.
8
Van Pi-Hachiroth braken zij op en staken dwars door de zee over naar de woestijn en gingen drie dagreizen ver de woestijn Etham in en sloegen hun kamp op in Mara.
9
Van Mara braken zij op en kwamen in Elim. In Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen en daar sloegen zij hun kamp op.
10
Van Elim braken zij op en sloegen hun kamp op aan de Wierzee.
11
Van de Wierzee braken zij op en sloegen hun kamp op in de woestijn Sin.
12
Vanuit de woestijn Sin braken zij op en sloegen hun kamp op in Dofka.
13
Van Dofka braken zij op en sloegen hun kamp op in Aluz.
14
Van Aluz braken zij op en sloegen hun kamp op in Rafidim, waar er geen water voor het volk was om te drinken.
15
Van Rafidim braken zij op en sloegen hun kamp op in de woestijn Sinaï.
16
Vanuit de woestijn Sinaï braken zij op en sloegen hun kamp op in Kibroth-Thaäva.
17
Van Kibroth-Thaäva braken zij op en sloegen hun kamp op in Hazeroth.
18
Van Hazeroth braken zij op en sloegen hun kamp op in Rithma.
19
Van Rithma braken zij op en sloegen hun kamp op in Rimmon-Perez.
20
Van Rimmon-Perez braken zij op en sloegen hun kamp op in Libna.
21
Van Libna braken zij op en sloegen hun kamp op in Rissa.
22
Van Rissa braken zij op en sloegen hun kamp op in Kehelatha.
23
Van Kehelatha braken zij op en sloegen hun kamp op in het gebergte van Safer.
24
Van het gebergte Safer braken zij op en sloegen hun kamp op in Harada.
25
Van Harada braken zij op en sloegen hun kamp op in Makheloth.
26
Van Makheloth braken zij op en sloegen hun kamp op in Tachath.
27
Van Tachath braken zij op en sloegen hun kamp op in Tarah.
28
Van Tarah braken zij op en sloegen hun kamp op in Mithka.
29
Van Mithka braken zij op en sloegen het kamp op in Hasmona.
30
Van Hasmona braken zij op en sloegen hun kamp op in Moseroth.
31
Van Moseroth braken zij op en sloegen hun kamp op in Bene-Jaäkan.
32
Van Bene-Jaäkan braken zij op en sloegen hun kamp op in Hor-Gidgad.
33
Van Hor-Gidgad braken zij op en sloegen hun kamp op in Jotbatha.
34
Van Jotbatha braken zij op en sloegen hun kamp op in Abrona.
35
Van Abrona braken zij op en sloegen hun kamp op in Ezeon-Geber.
36
Van Ezeon-Geber braken zij op en sloegen hun kamp op in de woestijn Zin, dat is Kades.
37
Van Kades braken zij op en sloegen hun kamp op bij de berg Hor, aan de rand van het land Edom.
38
De priester Aäron beklom de berg Hor op bevel van de HEERE en stierf daar in het veertigste jaar na de uittocht van de zonen van Israël uit het land Egypte, in de vijfde maand, op de eerste dag van de maand.
39
Aäron was honderddrieëntwintig jaar oud toen hij op de berg Hor stierf.
40
De Kanaäniet, de koning van Harad, die in het zuiden van het land Kanaän woonde, hoorde dat de zonen van Israël in aantocht waren.
41
Van de berg Hor braken zij op en sloegen hun kamp op in Zalmona.
42
Van Zalmona braken zij op en sloegen hun kamp op in Funon.
43
Van Funon braken zij op en sloegen hun kamp op in Oboth.
44
Van Oboth braken zij op en sloegen hun kamp op bij de ruïnes van Abarim, in het grens gebied van Moab.
45
Van de ruïnes van Abarim braken zij op en sloegen hun kamp op in Dibon-Gad.
46
Van Dibon-Gad braken zij op en sloegen hun kamp op in Almon-Diblathaïm.
47
Van Almon-Diblathaïm braken zij op en sloegen hun kamp op in de bergen van Abarim in het zicht van de Nebo.
48
Van de bergen van Abarim braken zij op en sloegen hun kamp op in de vlakten van Moab aan de Jordaan ter hoogte van Jericho.
49
Zij sloegen hun kamp op aan de Jordaan van Beth-Jesimoth af tot aan Abel-Sittim toe in de vlakten van Moab.
50
De HEERE sprak tot Mozes in de vlakten van Moab aan de Jordaan ter hoogte van Jericho en zei:
51
“Spreek tot de zonen van Israël en zeg tegen hen: ‘Als jullie de Jordaan naar het land Kanaän zijn overgestoken,
52
moeten jullie alle inwoners van het land voor jullie uit uit hun erfdeel verdrijven en al hun uitgehouwen beelden vernietigen. Ook moeten jullie al hun gegoten beelden vernietigen en al hun offer hoogten wegvagen.
53
Jullie zullen het land als erfdeel in bezit nemen en erin wonen, want Ik heb jullie het land als erfdeel gegeven.
54
Jullie zullen het land door het lot als erfdeel aan jullie families toewijzen. Wie met meer is, zul je meer als zijn erfdeel geven en wie met minder is, zul je minder als zijn erfdeel geven. Waar het lot voor hem op valt, dat zal voor hem zijn. Naar de ordening van de stammen van jullie vaderen zullen jullie je erfdeel in ontvangst nemen.
55
Als jullie de inwoners van het land niet voor jullie uit uit hun erfdeel verdrijven, dan zal het gebeuren dat degenen die jullie laten overblijven, tot dorens in jullie ogen zullen worden en tot stekels in jullie zijden en dat zij jullie zullen benauwen in het land waar jullie wonen.
56
En dan zal het gebeuren dat Ik met jullie zal doen, wat Ik dacht met hen te zullen te doen.”
← Chapter 32
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 34 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36