bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
/
Numbers 9
Numbers 9
Dutch 2024 (EBV24 een Eigentijdse Bijbelvertaling)
← Chapter 8
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 10 →
1
De HEERE sprak tot Mozes in de woestijn Sinaï, in het tweede jaar nadat zij uit het land Egypte waren weggetrokken, in de eerste maand, en Hij zei:
2
“Laten de zonen van Israël het Voorbijgaan soffer klaarmaken op de daarvoor vastgestelde tijd.
3
Op de veertiende dag van deze maand, tussen het middaguur en het vallen van de avond, moeten jullie het op de vastgestelde tijd klaarmaken. Jullie moeten het klaarmaken volgens alle bijbehorende wets voorschriften en wets regels.”
4
Mozes sprak tot de zonen van Israël en zei dat zij het Voorbijgaan soffer moesten klaarmaken.
5
En zij maakten het Voorbijgaan soffer klaar in de woestijn Sinaï op de veertiende dag van de eerste maand, tussen het middaguur en het vallen van de avond, in overeenstemming met alles wat de HEERE Mozes opgedragen had, zo maakten de zonen van Israël het klaar.
6
Sommige mannen waren onrein geworden door het lijk van een mens en konden op die dag het Voorbijgaan soffer niet klaarmaken. Zij kwamen op die dag bij Mozes en bij Aäron
7
en die mannen zeiden tegen hem: “Wij zijn onrein door het lijk van een mens. Waarom worden wij tegengehouden, zodat wij de offergave van de HEERE niet kunnen brengen op de daarvoor vastgestelde tijd te midden van de zonen van Israël?”
8
Mozes zei tegen hen: “Blijf staan, dan zal ik horen wat de HEERE jullie zal gebieden.”
9
De HEERE sprak tot Mozes en zei:
10
“Spreek tot de zonen van Israël en zeg: ‘Wanneer iemand van jullie of van jullie komende generaties door een lijk onrein geworden is, of wanneer hij ver weg is, zal hij toch het Voorbijgaan soffer voor de HEERE klaarmaken.
11
In de tweede maand, op de veertiende dag, tussen het middaguur en het vallen van de avond, zullen zij het klaarmaken. Zij zullen het eten met ongezuurde broden en bittere kruiden.
12
Zij zullen er niets van overlaten tot de morgen en er geen bot van breken. Zij moeten het klaarmaken in overeenstemming met alle wets voorschriften van het Voorbijgaan soffer.
13
Als een man, die rein is en niet op reis is, nalaat om het Voorbijgaan soffer klaar te maken, dan zal die persoon uit zijn volk worden uitgeroeid, omdat hij de offergave van de HEERE niet op de daarvoor vastgestelde tijd heeft gebracht. Die man zal zijn zonde dragen.
14
Als er een vreemdeling bij jullie verblijft die het Voorbijgaan soffer van de HEERE klaarmaakt, dan moet hij het klaarmaken volgens het wets voorschrift van het Voorbijgaan soffer en volgens de regel s daarvoor. Er zal één wets voorschrift voor jullie gelden, voor de vreemdeling zowel als voor wie in het land geboren is.
15
Op de dag dat de Woning werd opgericht, bedekte de wolk de Woning met de Tent van de Getuigenis en ’s avonds was hij boven de Woning als een vuur te zien, tot aan de morgen.
16
Zo was het steeds, de wolk overdekte hem en ’s nachts had hij het aanzien van vuur.
17
Wanneer de wolk van boven de Tent opsteeg, braken daarna ook de zonen van Israël op en op de plaats waar de wolk bleef stilstaan, daar sloegen de zonen van Israël hun kamp op.
18
De zonen van Israël braken op op bevel van de HEERE en op bevel van de HEERE sloegen zij hun kamp op. Alle dagen dat de wolk op de Woning rustte, bleven zij daar gelegerd.
19
Wanneer de wolk dagenlang boven de Woning bleef stilstaan, zorgden de zonen van Israël voor de dienst van de HEERE en braken zij niet op.
20
Als de wolk maar enkele dagen boven de Woning stond, dan sloegen zij op bevel van de HEERE hun kamp op en op bevel van de HEERE braken zij weer op.
21
Als de wolk van ’s avonds tot ’s morgens stilstond en de wolk vervolgens in de morgen opsteeg, dan braken zij op. Of het nu overdag of ’s nachts was, als de wolk opsteeg, braken zij op.
22
Of als de wolk zich een paar dagen of een maand of een jaar boven de Woning uitstrekte om daarop te rusten, dan sloegen de zonen van Israël hun legerkamp op en braken niet op. Maar wanneer hij opsteeg, braken zij op.
23
Op bevel van de HEERE sloegen zij hun kamp op en op bevel van de HEERE braken zij op. Zij hielden zich aan wat de HEERE hun had opgedragen, op bevel van de HEERE, door de hand van Mozes.
← Chapter 8
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 10 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36