bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
/
Psalms 78
Psalms 78
Dutch (NBG) Nederlands Bijbel Genootschap 1951
← Chapter 77
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 51
Chapter 52
Chapter 53
Chapter 54
Chapter 55
Chapter 56
Chapter 57
Chapter 58
Chapter 59
Chapter 60
Chapter 61
Chapter 62
Chapter 63
Chapter 64
Chapter 65
Chapter 66
Chapter 67
Chapter 68
Chapter 69
Chapter 70
Chapter 71
Chapter 72
Chapter 73
Chapter 74
Chapter 75
Chapter 76
Chapter 77
Chapter 78
Chapter 79
Chapter 80
Chapter 81
Chapter 82
Chapter 83
Chapter 84
Chapter 85
Chapter 86
Chapter 87
Chapter 88
Chapter 89
Chapter 90
Chapter 91
Chapter 92
Chapter 93
Chapter 94
Chapter 95
Chapter 96
Chapter 97
Chapter 98
Chapter 99
Chapter 100
Chapter 101
Chapter 102
Chapter 103
Chapter 104
Chapter 105
Chapter 106
Chapter 107
Chapter 108
Chapter 109
Chapter 110
Chapter 111
Chapter 112
Chapter 113
Chapter 114
Chapter 115
Chapter 116
Chapter 117
Chapter 118
Chapter 119
Chapter 120
Chapter 121
Chapter 122
Chapter 123
Chapter 124
Chapter 125
Chapter 126
Chapter 127
Chapter 128
Chapter 129
Chapter 130
Chapter 131
Chapter 132
Chapter 133
Chapter 134
Chapter 135
Chapter 136
Chapter 137
Chapter 138
Chapter 139
Chapter 140
Chapter 141
Chapter 142
Chapter 143
Chapter 144
Chapter 145
Chapter 146
Chapter 147
Chapter 148
Chapter 149
Chapter 150
Chapter 79 →
1
Een leerdicht van Asaf. Wend het oor, mijn volk, tot mijn leer, neigt uw oor tot de woorden van mijn mond;
2
ik wil mijn mond tot een spreuk opendoen, ik wil aloude verborgenheden verkondigen.
3
Hetgeen wij gehoord hebben en weten, en onze vaderen ons hebben verteld,
4
dat willen wij voor hun kinderen niet verhelen; wij willen vertellen aan het volgende geslacht des HEREN roemrijke daden, zijn kracht en de wonderen die Hij gewrocht heeft.
5
Hij richtte een getuigenis op in Jakob en stelde een wet in Israël, die Hij onze vaderen gebood hun kinderen te leren,
6
opdat het volgende geslacht die zou kennen, de kinderen, die geboren zouden worden, dat zij zouden opstaan om ze te vertellen aan hun kinderen:
7
opdat die hun vertrouwen op God zouden stellen, en Gods werken niet vergeten, maar zijn geboden bewaren;
8
en niet worden gelijk hun vaderen, een weerbarstig en weerspannig geslacht, een geslacht, onstandvastig van hart, en welks geest niet trouw was jegens God.
9
Efraïms zonen, weltoegeruste boogschutters, keerden om ten dage van de strijd.
10
Zij onderhielden Gods verbond niet, zij weigerden in zijn wet te wandelen
11
en vergaten zijn werken en zijn wonderen, die Hij hun had doen zien.
12
Ten aanschouwen van hun vaderen deed Hij wonderen in het land Egypte, het veld van Soan;
13
Hij kliefde de zee, Hij voerde hen erdoorheen, en bracht het water tot staan als een dam;
14
Hij geleidde hen met een wolk des daags en met vurig licht de ganse nacht;
15
Hij kliefde rotsen in de woestijn, en drenkte hen rijkelijk met watervloeden;
16
Hij deed beken vloeien uit de rots en water neerstromen als rivieren.
17
Maar zij bleven verder tegen Hem zondigen, zij waren in de wildernis weerspannig tegen de Allerhoogste;
18
zij verzochten God in hun hart door spijze te vragen naar hun lust;
19
zij spraken tegen God, zij zeiden: Kan God een dis aanrichten in de woestijn?
20
Zie, Hij sloeg de rots, dat er water vloeide, en beken stroomden; zou Hij ook brood kunnen geven, of vlees verschaffen aan zijn volk?
21
Daarom werd de HERE, toen Hij het hoorde, verbolgen, en een vuur ontbrandde tegen Jakob, ook verhief zich toorn tegen Israël,
22
omdat zij in God niet geloofden en op zijn hulp niet vertrouwden.
23
Toen gebood Hij de wolken daarboven en opende de deuren des hemels;
24
Hij deed manna tot spijze op hen regenen, en schonk hun hemelkoren;
25
brood der engelen at ieder, Hij zond hun teerkost tot verzadiging.
26
Aan de hemel deed Hij de oostenwind opsteken, en voerde door zijn sterkte de zuidenwind aan;
27
Hij deed vlees op hen regenen als stof, gevleugeld gevogelte als het zand der zeeën;
28
Hij deed het vallen, midden in zijn legerplaats, rondom zijn woning.
29
Zij aten en werden volop verzadigd, en Hij schonk aan hen hun begeerte.
30
Nog hadden zij hun begeerte niet gestild, nog was hun spijze in hun mond –
31
daar verhief Gods toorn zich tegen hen, richtte een slachting aan onder hun welgedanen en velde de jonge mannen van Israël neder.
32
Ondanks dit alles zondigden zij verder en vertrouwden niet op zijn wonderen.
33
Toen deed Hij hun dagen eindigen in nietigheid en hun jaren in verschrikking.
34
Als Hij hen doodde, dan vroegen zij naar Hem, bekeerden zich en zochten God,
35
en gedachten, dat God hun rots was, en God, de Allerhoogste, hun verlosser.
36
Maar zij bedrogen Hem met hun mond en belogen Hem met hun tong;
37
hun hart was niet standvastig bij Hem, zij waren niet getrouw aan zijn verbond.
38
Maar Hij, de barmhartige, verzoende de ongerechtigheid en verdierf niet; Hij wendde menigmaal zijn toorn af en wekte zijn volle grimmigheid niet op;
39
Hij gedacht, dat zij vlees waren, een ademtocht, die vervliegt en niet wederkeert.
40
Hoe vaak waren zij weerspannig tegen Hem in de woestijn, griefden Hem in de wildernis,
41
en verzochten God wederom, en krenkten de Heilige Israëls.
42
Zij gedachten niet aan zijn macht, aan de dag dat Hij hen van de tegenstander verloste;
43
hoe Hij in Egypte zijn tekenen deed, en zijn wonderen in het veld van Soan.
44
Hij veranderde hun Nijlwater in bloed, en hun stromen, zodat zij niet konden drinken.
45
Hij zond steekvliegen onder hen, die hen verteerden, en kikvorsen, die hen verdierven;
46
Hij gaf hun gewas aan de kaalvreter en hun opbrengst aan de sprinkhaan.
47
Hij verdierf hun wijnstok door de hagel en hun moerbeivijgeboom door de ijzel;
48
hun vee gaf Hij prijs aan de hagel en hun kudden aan de vurige schichten.
49
Hij zond tegen hen zijn brandende toorn, verbolgenheid en angstwekkende gramschap, een schare van verderfengelen.
50
Hij baande een pad voor zijn toorn, Hij behoedde hun zielen niet voor de dood, maar gaf hun leven prijs aan de pest.
51
Hij sloeg alle eerstgeborenen in Egypte, de eerstelingen van hun kracht in de tenten van Cham.
52
Hij liet zijn volk als schapen optrekken, leidde hen als een kudde door de woestijn.
53
Hij voerde hen veilig, zodat zij niet vreesden, want de zee had hun vijanden overdekt.
54
Hij bracht hen naar zijn heilig gebied, de berg die zijn rechterhand had verworven;
55
Hij verdreef volken voor hen uit, mat hun die toe als erfelijk bezit, en liet Israëls stammen in hun tenten wonen.
56
Maar zij verzochten God en waren weerspannig tegen Hem, de Allerhoogste, en onderhielden zijn getuigenissen niet;
57
zij werden afvallig en trouweloos evenals hun vaderen; faalden als een bedrieglijke boog,
58
zij tergden Hem door hun hoogten, wekten Hem tot naijver door hun beelden.
59
God hoorde het en werd verbolgen, en versmaadde Israël ten enenmale,
60
Hij gaf de woning van Silo prijs, de tent die Hij onder de mensen had opgeslagen;
61
zijn sterkte gaf Hij over in gevangenschap, zijn sieraad in de macht van de tegenstander.
62
Hij gaf zijn volk prijs aan het zwaard, en was verbolgen op zijn erfdeel;
63
het vuur verteerde zijn jongelingschap, zijn maagden werden niet bezongen;
64
zijn priesters vielen door het zwaard, zijn weduwen weenden niet.
65
Toen ontwaakte de Here als een slapende, als een held, door de wijn overmand;
66
zijn tegenstanders sloeg Hij van achteren, altoosdurende smaad deed Hij hun aan.
67
En Hij versmaadde de tent van Jozef, en verkoos Efraïms stam niet.
68
Maar Hij verkoos de stam van Juda, de berg Sion, die Hij liefheeft;
69
Hij bouwde zijn heiligdom als de hoogste bergen, als de aarde, die Hij voor altoos grondvestte.
70
Hij verkoos David, zijn knecht, en nam hem weg van de schaapskooien;
71
van achter de zogende schapen haalde Hij hem, om Jakob, zijn volk, te weiden, en Israël, zijn erfdeel.
72
Deze weidde hen naar de oprechtheid van zijn hart, en leidde hen met kundige hand.
← Chapter 77
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 51
Chapter 52
Chapter 53
Chapter 54
Chapter 55
Chapter 56
Chapter 57
Chapter 58
Chapter 59
Chapter 60
Chapter 61
Chapter 62
Chapter 63
Chapter 64
Chapter 65
Chapter 66
Chapter 67
Chapter 68
Chapter 69
Chapter 70
Chapter 71
Chapter 72
Chapter 73
Chapter 74
Chapter 75
Chapter 76
Chapter 77
Chapter 78
Chapter 79
Chapter 80
Chapter 81
Chapter 82
Chapter 83
Chapter 84
Chapter 85
Chapter 86
Chapter 87
Chapter 88
Chapter 89
Chapter 90
Chapter 91
Chapter 92
Chapter 93
Chapter 94
Chapter 95
Chapter 96
Chapter 97
Chapter 98
Chapter 99
Chapter 100
Chapter 101
Chapter 102
Chapter 103
Chapter 104
Chapter 105
Chapter 106
Chapter 107
Chapter 108
Chapter 109
Chapter 110
Chapter 111
Chapter 112
Chapter 113
Chapter 114
Chapter 115
Chapter 116
Chapter 117
Chapter 118
Chapter 119
Chapter 120
Chapter 121
Chapter 122
Chapter 123
Chapter 124
Chapter 125
Chapter 126
Chapter 127
Chapter 128
Chapter 129
Chapter 130
Chapter 131
Chapter 132
Chapter 133
Chapter 134
Chapter 135
Chapter 136
Chapter 137
Chapter 138
Chapter 139
Chapter 140
Chapter 141
Chapter 142
Chapter 143
Chapter 144
Chapter 145
Chapter 146
Chapter 147
Chapter 148
Chapter 149
Chapter 150
Chapter 79 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150