bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
/
2 Chronicles 31
2 Chronicles 31
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
← Chapter 30
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 32 →
1
Toen het feest was afgelopen, trokken alle aanwezige Israëlieten eropuit naar de steden van Juda en verbrijzelden daar de godenbeelden, hakten de heilige palen om en braken de offerhoogten en altaren af. Dit deden ze in heel Juda en Benjamin en zelfs in Efraïm en Manasse. Toen zij ze allemaal vernietigd hadden, keerden alle Israëlieten naar huis terug, ieder naar zijn eigen stad en bezittingen.
2
Jehizkia deelde de priesters en Levieten in afdelingen in naar gelang ieders taak: de priesters en Levieten die verantwoordelijk waren voor het brengen van het brandoffer, voor de vredeoffers, of voor de lofprijs en de muziek binnen de poorten van het kamp van de Heer***.
3
De koning gaf van zijn eigen veestapel een bijdrage voor de brandoffers: de brandoffers op elke ochtend en avond, en de brandoffers op de sabbatten, de nieuwemaansdagen en de vaste feesten, zoals die voorgeschreven zijn in de Wet van de Heer***.
4
En hij droeg de inwoners van Jeruzalem op dat ze de priesters en Levieten hun rechtmatige aandeel moesten geven, zodat zij zich geheel zouden kunnen wijden aan de Wet van de Heer***.
5
Toen dat bevel bekend werd, brachten de Israëlieten grote hoeveelheden eerstelingen van graan, wijn, olie en honing en van alles wat het land opbracht. Ook brachten ze in grote hoeveelheden de tienden van alles.
6
De Israëlieten en Judeeërs die in de steden van Juda woonden, kwamen ook de tienden brengen van hun runderen, schapen en geiten en de tienden van alles wat voor hun Heer*** God geheiligd was. Ze stapelden alles op.
7
In de derde maand begonnen ze die stapels aan te leggen en in de zevende maand waren ze daarmee klaar.
8
Toen Jehizkia en de leiders kwamen kijken en de stapels zagen, prezen ze de Heer*** en zijn volk Israël.
9
Toen Jehizkia bij de priesters en de Levieten naar de stapels vroeg,
10
antwoordde de hogepriester Azarja, uit de familie van Zadok: "Vanaf het moment dat de mensen begonnen de heffing naar het huis van de Heer*** te brengen, hebben wij volop te eten gehad. We houden zelfs ruimschoots over, want de Heer*** heeft zijn volk zo gezegend, dat deze grote hoeveelheid overgebleven is."
11
Daarop beval Jehizkia dat er voorraadkamers in het huis van de Heer*** ingericht moesten worden, en dat gebeurde.
12
Trouw bracht iedereen de heffing, de tienden en de geheiligde geschenken daarheen. De Leviet Konanja hield daar als hoofdopzichter het toezicht op, terzijde gestaan door zijn broer Simeï.
13
Onder Konanja en zijn broer Simeï waren Jehiël, Azarja, Nahat, Asaël, Jerimot, Jozabad, Eliël, Jismachja, Mahat en Benaja aangesteld als onderopzichters, op bevel van koning Jehizkia en van Azarja, die aan het hoofd stond van het huis van God.
14
De Leviet Kore, de zoon van Jimna, de bewaker van de Oostpoort, zag erop toe dat alles wat werd gebracht – vrijwillige gaven voor God, de hefoffers voor de Heer*** en het allerheiligste deel van alles – eerlijk [onder de priesters en Levieten] werd verdeeld.
15
Hij werd daarbij in de priestersteden trouw terzijde gestaan door Eden, Minjamin, Jesua, Semaja, Amarja en Sechanja, die erop moesten toezien dat hun stamgenoten van alle afdelingen allemaal hun aandeel kregen, ongeacht leeftijd of positie.
16
Alle mannelijke personen van drie jaar en ouder die ingeschreven stonden in het geslachtsregister, uitgezonderd degenen die in de afdelingen een dagelijkse taak in het huis van de Heer*** hadden, kwamen voor de uitdeling in aanmerking.
17
De priesters waren in het geslachtsregister ingeschreven naar familie, maar de Levieten van 20 jaar en ouder naar afdeling en taak.
18
Ze werden ingeschreven met al hun kleine kinderen, hun vrouwen, zonen en dochters, dus het hele gezin, want trouw hadden ze zich aan hun heilig ambt gewijd.
19
Onder de priesters, de afstammelingen van Aäron, die op de weidegronden rond de priestersteden woonden, waren er in elke stad mannen aangewezen die erop moesten toezien dat allen van het mannelijk geslacht onder de priesterfamilies en allen die stonden ingeschreven in het geslachtsregister van de Levieten, zouden krijgen wat hun toekwam.
20
Zo had Jehizkia het in heel Juda bevolen. Hij deed wat goed, juist en rechtvaardig was in de ogen van zijn Heer*** God.
21
Alles wat hij deed voor de dienst van het huis van God en voor de naleving van de Wet en de geboden, deed hij met zijn hele hart, uit verlangen zijn God te zoeken – en alles verliep voorspoedig.
← Chapter 30
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 32 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36