bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
/
Exodus 13
Exodus 13
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
← Chapter 12
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 14 →
1
En de Heer*** zei tegen Mozes:
2
"Heilig al het eerstgeborene voor Mij, alles wat als eerste uit de moederschoot komt, zowel van de Israëlieten als van het vee. Ze zijn mijn eigendom."
3
Vervolgens zei Mozes tegen het volk: "Blijf deze dag altijd gedenken, deze dag waarop jullie bevrijd zijn uit de slavernij in Egypte, want met sterke hand heeft de Heer*** jullie hier weggeleid. Daarom mag er niets gegeten worden wat met zuurdesem is bereid.
4
Vandaag vertrekken jullie, in de maand Abib.
5
Wanneer de Heer*** jullie in het land gebracht heeft van de Kanaänieten, de Hetieten, de Amorieten, de Hevieten en de Jebusieten, waarvan Hij jullie voorvaders gezworen heeft dat Hij het jullie zou geven, een land dat overvloeit van melk en honing, dan moeten jullie in deze maand het volgende doen.
6
Zeven dagen moeten jullie ongezuurd brood eten. Op de zevende dag moeten jullie voor de Heer*** feestvieren.
7
Zeven dagen lang moet er ongezuurd brood worden gegeten en mag er in het hele land niets te vinden zijn wat met zuurdesem is bereid. Er mag in het hele land zelfs geen zuurdesem aanwezig zijn.
8
Op die dag moeten jullie aan je kinderen vertellen: 'Zo vier ik wat de Heer*** voor mij heeft gedaan toen ik uit Egypte vertrok.'
9
Het moet voor jullie zijn als een teken op je hand en als een herinneringsteken op je voorhoofd, zodat deze wet van de Heer*** in je mond zal zijn, omdat de Heer*** jullie met sterke hand uit Egypte heeft weggeleid.
10
Daarom moeten jullie je elk jaar op de aangegeven dag aan dit voorschrift houden.
11
Wanneer de Heer*** jullie in het land van de Kanaänieten zal hebben gebracht, zoals Hij jullie en jullie voorvaders heeft gezworen, en Hij jullie het land in bezit gegeven heeft,
12
moeten jullie alles wat als eerste uit de moederschoot komt en mannelijk is aan de Heer*** afstaan, ook van het vee. Het is voor de Heer***.
13
Maar elk eerstgeboren ezelsveulen moeten jullie vrijkopen met een lam of geitenbokje. Als je het veulen niet vrijkoopt, moet je het de nek breken. Maar elke eerstgeboren zoon moeten jullie vrijkopen.
14
Als jullie kinderen later vragen: 'Waarom doet u dat?' moeten jullie antwoorden: 'De Heer*** heeft ons met sterke hand uit Egypte weggeleid, uit de slavernij.
15
Want toen de farao koppig weigerde ons te laten gaan, doodde de Heer*** in Egypte al het eerstgeborene, zowel van de mensen als van het vee. Daarom offer ik van het vee elk eerstgeboren mannelijk jong dat uit de moederschoot komt aan de Heer***, maar elke eerstgeboren zoon koop ik vrij.
16
Het moet zijn als een teken op je hand en als een herinneringsteken op je voorhoofd. Want met sterke hand heeft de Heer*** ons uit Egypte bevrijd.' "
17
Toen de farao het volk had laten gaan, bracht God hen niet naar de weg door het land van de Filistijnen, hoewel die route het kortst was. Want God zei: "Als ze zien dat er strijd komt, krijgt het volk nog spijt en gaat het terug naar Egypte."
18
Daarom liet God het volk een omweg maken over de weg door de woestijn bij de Rietzee. Zo vertrokken de Israëlieten uit Egypte, als een goed geordend leger.
19
En Mozes nam het gebeente van Jozef mee, want dat had Jozef zijn broers laten zweren toen hij zei: 'Ik weet zeker dat God naar jullie zal omzien. Neem dan mijn gebeente mee hiervandaan.'
20
Ze vertrokken uit Sukkot en sloegen hun kamp op in Etam, aan de rand van de woestijn.
21
De Heer*** ging voor hen uit, overdag in een wolkkolom om hen de weg te wijzen, 's nachts in een vuurkolom om hen bij te lichten, zodat ze dag en nacht verder konden reizen.
22
Nooit nam Hij de wolkkolom of de vuurkolom weg: dag en nacht kon het volk hem zien.
← Chapter 12
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 14 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40