bible
ra
🌐 Language
English
Español
Français
Deutsch
Português
Italiano
Nederlands
Русский
中文
日本語
한국어
العربية
Türkçe
Tiếng Việt
ไทย
Indonesia
All Languages
Home
/
Dutch
/
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
/
Genesis 45
Genesis 45
Dutch 2023 (Venster Bijbel)
← Chapter 44
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 46 →
1
Toen kon Jozef zich niet langer goedhouden tegenover alle aanwezigen. Hij riep: "Laat iedereen weggaan!" Zo was er niemand bij toen Jozef zijn broers vertelde wie hij was.
2
Hij huilde zo luid dat de Egyptenaren het hoorden en het tot in het paleis van de farao te horen was.
3
Jozef zei tegen zijn broers: "Ik ben het, Jozef! Leeft mijn vader nog?" Maar zijn broers waren zo hevig geschrokken, dat ze niet konden antwoorden.
4
Toen zei Jozef: "Kom toch dichterbij!" Dat deden ze en Jozef zei: "Ik ben Jozef, jullie broer, die jullie naar Egypte hebben verkocht!
5
Maar maak je daar nu geen zorgen over en maak elkaar en jezelf geen verwijten dat jullie mij hierheen verkocht hebben. Want God heeft mij voor jullie uit gezonden om jullie leven te redden.
6
Want er heerst nu al twee jaar hongersnood in dit land en er komen nog vijf jaren waarin er niet geploegd of geoogst zal worden.
7
Maar God heeft mij voor jullie uit gezonden om jullie voortbestaan op aarde te verzekeren en om jullie op bijzondere wijze te redden.
8
Dus niet jullie hebben mij hierheen gestuurd, maar God Zelf heeft dat gedaan. En Hij heeft mij aangesteld tot raadgever van de farao, tot heer van zijn hele paleis en tot heerser over heel Egypte.
9
Ga nu snel naar mijn vader en zeg hem dat zijn zoon Jozef hem laat weten: 'God heeft mij tot heer over heel Egypte aangesteld. Kom zo gauw mogelijk naar mij toe.
10
U kunt in de streek Gosen komen wonen, dicht bij mij, met uw kinderen en kleinkinderen, uw schapen, geiten en runderen en alles wat u bezit.
11
Ik zal daar voor u zorgen, want de hongersnood zal nog vijf jaar duren. Dan zullen u, uw familie en uw vee nergens gebrek aan hebben.'
12
Geloof me nu! Jullie en mijn broer Benjamin zien toch met eigen ogen dat ik het ben!
13
En vertel mijn vader ook hoe rijk en geëerd ik ben in Egypte. Vertel hem alles wat jullie hebben gezien en breng hem zo gauw mogelijk hierheen!"
14
Daarna omhelsde hij huilend zijn broer Benjamin en ook Benjamin huilde terwijl hij hem omhelsde.
15
En huilend kuste Jozef al zijn broers. Toen pas durfden zijn broers met hem te spreken.
16
Toen de farao en zijn dienaren het nieuws hoorden dat Jozefs broers waren gekomen, verheugden zij zich daarover.
17
De farao zei tegen Jozef: "Zeg tegen je broers: 'Bepak je dieren en ga naar Kanaän.
18
Haal jullie vader en jullie gezinnen op en kom dan terug. Ik zal jullie de beste streek van Egypte geven en jullie zullen het beste voedsel van het land eten.
19
En jullie moeten uit Egypte wagens meenemen om jullie vrouwen, kinderen en vader hierheen te brengen.
20
Bekommer je niet om je bezittingen, want het beste van heel Egypte zal voor jullie zijn.' "
21
Zo vertrokken de zonen van Israël. Naar het bevel van de farao gaf Jozef hun wagens mee en eten voor onderweg.
22
Ook gaf hij ieder van hen een stel nieuwe kleren. Maar aan Benjamin gaf hij 300 zilverstukken en vijf stel nieuwe kleren.
23
Bovendien stuurde hij zijn vader tien ezels beladen met de beste producten van Egypte en nog tien ezelinnen beladen met graan en brood en ander voedsel voor zijn vaders reis naar Egypte.
24
Daarna liet hij zijn broers vertrekken en zei tegen hen: "Maak geen ruzie onderweg."
25
Ze vertrokken uit Egypte en kwamen bij hun vader Jakob in Kanaän terug.
26
Ze vertelden hem: "Jozef leeft nog en hij is zelfs heerser over heel Egypte!" Maar zijn hart bleef er koud onder, want hij geloofde hen niet.
27
Maar toen ze herhaalden wat Jozef tegen hen gezegd had en hij de wagens zag die Jozef had gestuurd om hem te vervoeren, klaarde Jakob op.
28
En Israël zei: "Het is genoeg. Mijn zoon Jozef leeft nog. Ik zal naar hem toe gaan en hem nog zien voordat ik sterf."
← Chapter 44
Jump to:
Chapter 1
Chapter 2
Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5
Chapter 6
Chapter 7
Chapter 8
Chapter 9
Chapter 10
Chapter 11
Chapter 12
Chapter 13
Chapter 14
Chapter 15
Chapter 16
Chapter 17
Chapter 18
Chapter 19
Chapter 20
Chapter 21
Chapter 22
Chapter 23
Chapter 24
Chapter 25
Chapter 26
Chapter 27
Chapter 28
Chapter 29
Chapter 30
Chapter 31
Chapter 32
Chapter 33
Chapter 34
Chapter 35
Chapter 36
Chapter 37
Chapter 38
Chapter 39
Chapter 40
Chapter 41
Chapter 42
Chapter 43
Chapter 44
Chapter 45
Chapter 46
Chapter 47
Chapter 48
Chapter 49
Chapter 50
Chapter 46 →
All chapters:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50